Rechtspraak Hoge Raad 1994-10-18
ECLI:NL:HR:1994:ZD1100
18 oktober 1994 Strafkamer nr. 97.869/95.064 AB Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 november 1993 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 5 april 1991 – de verdachte ter zake van “handelen in strijd met artikel 33a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte.Namens deze heeft mr B.R. Angad-Gaur, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Meijers heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Telastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering 4.1. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding telastegelegd: “dat hij te Rijswijk op of omstreeks 8 maart 1990, als bestuurder van een voertuig – auto – tegen wie verdenking was gerezen dat hij had gehandeld in strijd met artikel 26 van de Wegenverkeerswet en aan wie door de brigadier van de gemeentepolitie te Rijswijk, [verbalisant 1] was bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in het tweede lid onder a van dat artikel, geen gevolg heeft gegeven aan het bevel ademlucht te blazen in een door genoemde opsporingsambtenaar aangewezen apparaat, althans geen gevolg heeft gegeven aan alle door die ambtenaar ten dienste van bedoeld onderzoek gegeven aanwijzingen”. 4.2. Daarvan is bewezenverklaard: “dat hij te Rijswijk op 8 maart 1990, als bestuurder van een voertuig – auto – tegen wie verdenking was gerezen dat hij had gehandeld in strijd met artikel 26 van de Wegenverkeerswet en aan wie door een opsporingsambtenaar van de gemeentepolitie te Rijswijk, was bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in het tweede lid onder a van dat artikel, geen gevolg heeft gegeven aan alle ten dienste van bedoeld onderzoek gegeven aanwijzingen”. 4.3. Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen: Het proces-verbaal van de gemeentepolitie te Rijswijk Het ambtsedig proces-verbaal nr 10252/1990 d.d. 21 april 1990 is opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], agent respectievelijk brigadier-wachtcommandant van gemeentepolitie te Rijswijk.Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-: Op 8 maart 1990 zag ik, verbalisant [verbalisant 2], dat een persoon als bestuurder van een motorvoertuig reed op de N-4 te Rijswijk. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet gegeven voorschriften stelde ik een onderzoek in. De bestuurder gaf mij op te zijn genaamd: [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942. Ik heb de verdachte vervolgens aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 26 van de Wegenverkeerswet, waarna de verdachte is overgebracht naar het bureau van politie te Rijswijk. Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 2], op 8 maart 1990 de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet. De verdachte heeft zich onder leiding van mij, verbalisant [verbalisant 1], onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 26, tweede lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet. Dit heeft niet geleid tot een voltooid onderzoek omdat de verdachte het onderzoek saboteerde. Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], zagen dat d