Rechtspraak Hoge Raad 1994-03-29
ECLI:NL:HR:1994:ZC9699
29 maart 1994 Strafkamer nr. 96.583 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 mei 1993 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden einduitspraak Het Hof heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 1 november 1991 — de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2 Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, het volgende middel van cassatie voorgesteld: 1) Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 350, 352, 358 en 415 Sv en art. 26 en 33a WVW en art. 6 Besluit Alcoholonderzoeken, doordat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het Hof ten onrechte als wettig bewijsmiddel heeft gehanteerd een rapport van het gerechtelijke laboratorium met betrekking tot de bloedafname, althans heeft het Hof het verweer, dat bedoeld rapport voor het bewijs uitgesloten dient te worden, ten onrechte verworpen, althans verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. Toelichting 2.1. Ter terechtzitting in 2e instantie is namens requirante gesteld dat uit het opgestelde proces-verbaal niet exact blijkt op welk tijdstip de ademanalyse heeft plaatsgevonden en dat uit het verbaal opgemaakt kan worden dat de ademanalyse heeft plaatsgevonden op een tijdstip, gelegen binnen twintig minuten na het eerste contact tussen requirante en de verbalisanten, ter gelegenheid waarvan bij de verbalisanten de verdenking was gerezen dat requirante zich schuldig had gemaakt aan overtreding van artikel 26 WvW. Requirante heeft hieruit geconcludeerd dat er geen sprake is geweest van een ademanalyse in de zin van de WvW en dat er derhalve geen medewerking aan de bloedproef gevraagd kon worden, zodat het via het bloedonderzoek verkregen materiaal niet als wettig bewijsmiddel gebruikt mocht worden. 2.3. Het Hof heeft het verweer verworpen. Het Hof heeft hiertoe (onder meer) overwogen dat ook al zou de ademanalyse binnen twintig minuten na het eerste contact hebben plaatsgevonden, dan nog requirante om haar medewerking aan een bloedonderzoek kon worden verzocht. Het Hof voert hiertoe aan dat requirante niet in haar belangen zou zijn geschaad nu als gevolg van een defect aan het ademanalyse-apparaat het onderzoek naar het ademalcoholgehalte niet voltooid zou kunnen worden. 2.4. Art. 33a lid 4 WvW maakt een bloedonderzoek (onder meer) mogelijk indien de medewerking van de verdachte aan een ademanalyse niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek. Met een ademonderzoek wordt bedoeld een ademonderzoek in de zin van art. 33a lid 1 en 26 lid 2 sub a WvW. Indien een dergelijk ademonderzoek niet heeft plaatsgevonden zal dus niet uitgeweken kunnen worden naar de bloedproef. Een ademanalyse welke verricht is binnen 20 minuten na het eerste contact, waarbij de verdenking van overtreding van art. 26 WvW is gerezen, is volgens gevestigde jurisprudentie geen onderzoek als bedoeld in art. 26 WvW, vergelijk A.M. Durieux, De Alcoholwetgeving 1987, Van den Brink, p. 88; W.H. Vellinga, Voetangels en klemmen bij de ademproef, V.R. 1987, p. 310, alsmede H.R. 8 juli 1992, N.J. 1993, nr 14 en H.R. 22 september 1992, N.J. 1993, nr 84. Zelfs indien op dit punt geen verweer zou zijn gevoerd maar uit de inhoud