Rechtspraak Hoge Raad 1994-01-28
ECLI:NL:HR:1994:ZC1249
28 januari 1994Eerste KamerRek.nr. 8343Br. Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: AMSTERDAMSE HUIZENHANDEL EN ADMINISTRATIEMAATSCHAPPIJ B.V. , gevestigd te Amsterdam , VERZOEKSTER tot cassatie,advocaat: Mr. R.M. Hermans, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie,advocaat: Mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 25 november 1991 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen; AHAM - zich gewend tot de Kantonrechter te Amsterdam met verzoek, voor het geval verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - terecht een beroep doet op art. 1623 k BW, te bepalen dat de huurovereenkomst met ingang van een in de beschikking te bepalen tijdstip zal eindigen. Nadat [verweerder] tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter na gerechtelijke bezichtiging bij beschikking van 19 juni 1992 het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking heeft AHAM hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam . Bij beschikking van 17 maart 1993 heeft de Rechtbank de bestreden beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft AHAM beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring van AHAM in haar beroep, subsidiair tot vernietiging van de beschikking van de Rechtbank en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam .Bij brief van 14 december 1993 heeft de advocaat van AHAM op de conclusie van het Openbaar Ministerie gereageerd. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.(i) AHAM is eigenaresse van het [a-straat 1] te [vestigingsplaats] , bestaande uit een souterrain, parterre en drie bovenverdiepingen. Zij had het gehele pand van 5 april 1990 tot 1 juni 1991 aan [betrokkene 1] verhuurd. De parterre en het souterrain waren bij [betrokkene 1] in gebruik als winkelen opslagruimte. [betrokkene 1] heeft deze ruimten inmiddels ontruimd. (ii) De drie bovenverdiepingen zijn elk afzonderlijk als woonruimte in gebruik bij respectievelijk [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [verweerder] (verweerder in cassatie), verder te zamen te noemen: de onderhuurders. Daartoe heeft [betrokkene 1] met [betrokkene 2] en [verweerder] huurovereenkomsten gesloten. [betrokkene 3] had reeds een huurovereenkomst met de voorganger van [betrokkene 1] ; [betrokkene 1] heeft erin toegestemd in diens plaats als verhuurder van [betrokkene 3] op te treden, waarna de huurovereenkomst door [betrokkene 3] en [betrokkene 1] is voortgezet.(iii) AHAM heeft in kort geding de ontruiming van het pand door de onderhuurders gevorderd. Dezen hebben zich daartegen verweerd met, kort gezegd, een beroep op art. 7A:1623 k BW, waaruit volgens bun stellingen voor het onderhavige geval voortvloeit dat sinds 1 juni 1991 huurovereenkomsten bestaan tussen hen en AHAM . De President van de Rechtbank te Amsterdam heeft de vordering van AHAM afgewezen en het Hof te Amsterdam heeft diens vonnis bekrachtigd. Bij zijn heden uitgesproken arrest in de zaak met rolnummer 14.943 heeft de Hoge Raad het arrest van het Hof vernietigd en het geding naar dat Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing. (iv) In zijn evengenoemd arrest heeft de Hoge Raad onder meer overwogen, kort samengevat, dat art. 1623 k slechts toepassing kan vinden, indien de (hoofd)huurovereenkomst, voor wat de onderverhuurde gedeelten betreft, moet worden beschouwd als een huurovereenkomst van woonruimte waarop de art. 1623 a e.v. van toepassing zijn, en dat daarvoor beslissend is hetgeen partijen bij de (hoofd)huurovereenkomst, mede in aanmerking genomen de inrichting van de onderverhuurde gedeelten, omtrent het gebruik daarvan voor ogen hee