Rechtspraak Hoge Raad 1994-12-21
ECLI:NL:HR:1994:AA2994
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 april 1992 betreffende de aan X te Z (België) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1986. 1. Aanslag, bezwaar, en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1986 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 31.084,-- met toepassing van tariefgroep I, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 31.084,-- met toepassing van tariefgroep III. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 31 januari 1994 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 31.084,-- met toepassing van tariefgroep I en voetoverheveling ten bedrage van f 4.270,--. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. In 1986 woonde hij samen met zijn echtgenote en hun kinderen in Duitsland, waar hij als beroepsmilitair werkzaam was bij de Nederlandse strijdkrachten, in NAVO-verband gelegerd te Q. Daarvóór woonde hij in Nederland. De echtgenote van belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit. Zij was in 1986 in Duitsland gedetacheerd als lid van de civiele dienst van de Belgische strijdkrachten, aldaar in NAVO-verband gelegerd. De haar toekomende bezoldiging werd haar door het Belgische leger uitbetaald en werd in België belast. Naast deze bezoldiging genoot zij geen andere inkomsten dan een bedrag aan Belgisch kindergeld. 3.2. De vraag of onder de vastgestelde omstandigheden belanghebbende op grond van artikel 56, lid 2, (tekst 1986) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) recht heeft op de alleenverdiener-toeslag is door het Hof bevestigend beantwoord. In cassatie is deze vraag opnieuw aan de orde. 3.3. Belanghebbende valt als militair die in NAVO-verband als lid van de Nederlandse krijgsmacht aanwezig is op het grondgebied van Duitsland onder de werking van artikel X van het Verdrag van Londen van 19 juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951, 114) hierna: het NAVO-Status Verdrag. Ingevolge dit artikel X wordt belanghebbende geacht - het Hof heeft geoordeeld dat hij uitsluitend uit hoofde van zijn hoedanigheid van lid van de Nederlandse krijgsmacht op het grondgebied van Duitsland verbleef - in Nederland te zijn blijven wonen en is hij in Duitsland vrijgesteld van belastingen op zijn salaris en emolumenten. In samenhang met artikel 2, lid 2, van de Wet brengt dit mede dat belanghebbende als (fictief) binnenlandse belastingplichtige zonder enige beperking aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen. Ook voor de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, getekend te 's-Gravenhage op 16 juni 1959 (Trb. 1959,85), hierna aan te duiden als het Nederlands-Duitse belastingverdrag, wordt belanghebbende geacht zijn woonplaats in Nederland te hebben behouden. Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie onder 3.4 aangegeven gronden moet namelijk worden aangenomen dat bij de toepassing van dat verdrag de daarin opgenomen woonplaatsregeling moet w Voor wat betreft het Nederlands-Duitse belastingverdrag volgt uit de omstandigheid dat de echtgenote van belanghebbende geacht moet worden in Nederland te wonen dat artikel 20, lid 1, van het verdrag van toepassing is, zodat het verdrag er niet aan in de weg staat dat de van de Belgische overheid genoten bezoldiging tot haar inkomen in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet behoort. Voor wat betreft het Nederlands-Belgische belastingverdrag volgt uit hetgeen onder 3.6 is overwogen dat voor de toepassing van artikel 56, lid 2, van de Wet niet van belang is of de echtgenote voor de toepassing van dat verdrag geacht moet worden in België te wonen, in welk geval Nederland haar bezoldiging van de Belgische overheid op zichzelf niet in de heffing van de inkomstenbelasting kan betrekken, ook niet via het progressievoorbehoud, dan wel in Nederland, in welk geval Nederland op grond van artikel 24, par. 1, van het Nederlands-Belgische belastingverdrag via het progressievoorbehoud met die bezoldiging rekening mag houden, en die bezoldiging derhalve tot haar inkomen in de zin van artikel 3, lid 3, van de Wet blijft behoren. 3.8. Het middel is derhalve gegrond voor zover daarin wordt betoogd dat noch de werking van het Nederlands-Duitse belastingverdrag noch de werking van het Nederlands-Belgische belastingverdrag meebrengt dat belanghebbende, in afwijking van hetgeen uit de Nederlandse wetgeving voortvloeit, aanspraak kan maken op de alleenverdiener-toeslag. Voor het overige behoeft het geen behandeling. De uitspraak kan niet in stand blijven. Door de gegrondbevinding van het middel komen alsnog aan de orde na te melden nog niet behandelde stellingen van belanghebbende. 3.9. Belanghebbende heeft zich voor het Hof beroepen op door de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 5 november 1984, nr. 084-2884, BNB 1984/335, zoals gewijzigd bij resolutie van 11 juni 1986, nr. 086-1004, BNB 1986/229, bij hem opgewekt vertrouwen. Dit beroep kan belanghebbende echter niet baten. Uit de in lid 6 van de resolutie vervatte mededeling dat in gevallen waarin een vrijstelling zonder progressievoorbehoud geldt in de aangifte van de echtgenoot kan worden volstaan met vermelding van die omstandigheid, zonder vermelding van het bedrag van het vrijgestelde inkomen, op welke mededeling belanghebbende zich beroept, kan niet worden afgeleid dat zonder progressievoorbehoud vrijgestelde inkomsten - daargelaten of daarvan hier sprake zou zijn - voor het recht op de alleenverdiener-toeslag buiten beschouwing mogen blijven, reeds omdat in lid 5 van deze resolutie het tegendeel is vermeld. 3.10. Ook komt alsnog aan de orde het beroep dat belanghebbende heeft gedaan op het vertrouwen dat bij hem is opgewekt door een door hem overgelegde brief van de Belgische Minister van Financiën. Dit beroep moet echter worden verworpen. De inhoud van deze brief laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat daarin wel een standpunt wordt ingenomen met betrekking tot de invloed van de Nederlandse inkomsten van belanghebbende op het tarief voor de belastingheffing in België over de inkomsten van belanghebbendes echtgenote, maar niet, omgekeerd, over de invloed van haar inkomsten op het tarief, althans op de alleenverdiener-toeslag, met betrekking tot de in Nederland te belasten inkomsten van belanghebbende. 3.11. Belanghebbende heeft voor het Hof subsidiair gesteld dat indien voor de toepassing van artikel 56, lid 2, van de Wet geen rekening mag worden gehouden met de door zijn echtgenote uit Belgische overheidsdienst genoten bezoldiging maar wel met het door haar ontvangen Belgische kindergeld, hij recht heeft op voetoverheveling, met welke zienswijze de Inspecteur zich heeft verenigd. Nu, zoals volgt uit hetgeen onder 3.6 en 3.7 is overwogen, met de door de echtgenote genoten bezoldiging wel rekening mag worden gehouden, heeft deze stelling haar belang verloren en komt voetoverheveling niet aan de orde. 3.12. Uit het vorenoverwogene volgt dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen