Rechtspraak Hoge Raad 1994-12-07
ECLI:NL:HR:1994:AA2986
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 juni 1993 betreffende hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 87.434,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 84.785,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, als divisiedirecteur werkzaam bij een concern, heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 1990 voor zover in cassatie van belang, de volgende aftrekposten opgevoerd: (a) als op de inkomsten uit dienstbetrekking drukkende kosten: contributies voor verenigingen van afgestudeerden van de A-school te Q en van de B-Universiteit te R, extra energiekosten voor vergaderingen thuis, vakliteratuur, brandstofkosten auto werkgever en kosten van bezoek aan vakbeurzen en (b) door belanghebbende aan zijn kinderen betaalde vergoeding voor hun hulp bij het opknappen van een door belanghebbende voor huisvesting van zijn studerende kinderen gekochte woning. 3.2. Het Hof heeft voormelde contributies niet tot de aftrekbare kosten gerekend op grond van zijn oordeel dat de verenigingen van afgestudeerden van de A-school en van de B-Universiteit te R kunnen worden beschouwd als personeelsverenigingen en dergelijke als bedoeld in artikel 36, lid 1, letter i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). 3.3. De tegen dit oordeel gerichte klacht onder 1 is gegrond. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 36 van de Wet, zoals dat artikel sedert 1 januari 1990 luidt, blijkt dat de wetgever in het eerste lid van dat artikel een limitatieve opsomming heeft willen geven van de posten waarvan de kosten, lasten en afschrijvingen in het geheel niet meer aftrekbaar zijn (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 3, blz. 25). Gelet op de op letter i van het eerste lid van dit artikel gegeven toelichting dat de opgenomen toevoeging "en dergelijke" onder meer ziet op personeelsfondsen sport- en gezelligheidsverenigingen in de personeelssfeer moet worden aangenomen dat de wetgever bij deze kostenpost slechts het oog heeft op verenigingen en fondsen waarvan - in het algemeen - alleen lid zijn werknemers die behoren tot het personeel van een bepaalde werkgever. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de onderhavige verenigingen, als verenigingen van afgestudeerden, niet hiertoe zijn te rekenen. Zij kunnen mitsdien niet beschouwd worden als personeelsverenigingen en dergelijke in de zin van artikel 36, lid 1, letter i, van de Wet. 3.4. Door de gegrondbevinding van de klacht onder 1 komt na verwijzing alsnog aan de orde de door het Hof onbesproken gelaten stelling van de Inspecteur dat de onderhavige contributies niet strekken tot verwerving, inning of behoud van de inkomsten uit dienstbetrekking. 3.5. Het Hof heeft met betrekking tot de door belanghebbende gevraagde aftrek van kosten voor het bezoeken van vakbeurzen geoordeeld dat deze kosten niet tot de aftrekbare kosten behoren omdat de kosten voor het bezoeken van een vakbeurs gelijkgesteld dienen te worden met de kosten die verband houden met excursies, studiereizen en dergelijke als bedoeld in artikel 36, lid 1, aa