Rechtspraak Hoge Raad 1994-11-23
ECLI:NL:HR:1994:AA2984
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 juni 1993 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 39.219,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Van Soest heeft op 24 mei 1994 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 37.696,50. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is eigenares van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, welke haar als eigen woning in de zin van artikel 42a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1988), hierna: de Wet, ter beschikking staat. Deze woning is aan te merken als een woning als bedoeld in de tweede volzin van artikel 42a, lid 7, van de Wet, derhalve als een monumentenpand. 3.2. In geschil is de hoogte van het bedrag van de afschrijving dat voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking mag worden genomen. De Inspecteur stelt dit bedrag op 15 percent van 4 1/13 maal het in artikel 42a, lid 1, van de Wet als huurwaarde aangeduide bedrag. Het Hof heeft geoordeeld dat de afschrijving gesteld dient te worden op 15 percent van die huurwaarde. 3.3. Belanghebbende herhaalt in middel I haar voor het Hof ingenomen standpunt dat de afschrijving gesteld dient te worden op 15 percent van de economische huurwaarde. 3.4. Het Hof heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de afschrijving in dit geval met toepassing van de artikelen 35 en 36 van de Wet in verbinding met het bepaalde in artikel 2a, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1964, hierna: de Uitvoeringsbeschikking, moet worden bepaald. 3.5. Als de in artikel 2a, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking bedoelde huurwaarde kan echter, anders dan het Hof heeft geoordeeld, niet in aanmerking komen het in artikel 42a, lid 1, van de Wet als huurwaarde aangeduide bedrag. Dat bedrag is immers, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 december 1970, Stb. 604, bij welke wet artikel 42a in de Wet werd opgenomen, een netto-bedrag, te weten het forfaitair bepaalde saldo van de huurwaarde enerzijds en onderhoudskosten, lasten en afschrijvingen anderzijds. Berekening van de afschrijving op basis van dit saldo zou derhalve tot een onjuiste, te lage, uitkomst leiden. 3.6. Bij de Wet van 19 december 1973, Stb. 634, is in artikel 42a zowel voor eigen woningen die als monumentenwoningen worden aangemerkt als voor eigen woningen die behoren tot een ondernemingsvermogen, een bijzondere regeling getroffen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze regelingen, weergegeven in de Conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2.1 tot en met 3.2.11, kan worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de (bruto) huurwaarde die voor eigen woningen door middel van het forfait in het inkomen wordt begrepen, als regel kan worden gesteld op - in 1988 - 4 1/13 maal het netto-bedrag van artikel 42a, lid 1. De beide zojuist bedoelde bijzondere regelingen - die technisch verschillend zijn uitgewerkt maar in hun praktische resultaat tot op zekere hoogte overeenstemmen - bewerken dat ook voor eigen monumentenwoningen en voor tot een ondernemingsvermogen behor