Rechtspraak Hoge Raad 1994-12-21
ECLI:NL:HR:1994:AA2979
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 september 1992 betreffende de aan X te Z (Duitsland) opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting over het jaar 1986. 1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1986 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 36.567,-- en een belastingvrije som van f 15.089,-- (tariefgroep III). Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een zelfde belastbaar inkomen maar een belastingvrije som van f 7.748,-- (tariefgroep I) met een verhoging van, na gedeeltelijke kwijtschelding, f 1.175,--, welke verhoging nadien ambtshalve is verminderd tot f 587,--. Belanghebbende is van de navorderingsaanslag in beroep gekomen bij het Hof, dat die aanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 2 februari 1994 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot handhaving van de navorderingsaanslag zoals deze ambtshalve is verminderd. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het Hof heeft het volgende vastgesteld. Belanghebbende woonde gedurende het onderhavige jaar met zijn gezin in Z (Duitsland) en was aldaar in dienst van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen werkzaam als onderwijzer aan de aldaar gevestigde Nederlandse school voor kinderen van in Duitsland gelegerde Nederlandse militairen. Belanghebbendes echtgenote, met wie belanghebbende het gehele kalenderjaar gehuwd was, was gedurende dat jaar werkzaam als nachtverpleegster in een Duits ziekenhuis en genoot uit deze dienstbetrekking een in Duitsland belast inkomen. 3.2. De vraag of onder de vastgestelde omstandigheden belanghebbende op grond van artikel 56, lid 2, (tekst 1986) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) recht heeft op de alleenverdienertoeslag is door het Hof bevestigend beantwoord. In cassatie is deze vraag opnieuw aan de orde. 3.3. Belanghebbende valt als onderwijzer aan een Nederlandse school welke in Duitsland ten behoeve van de aldaar gelegerde Nederlandse strijdkrachten is opgericht, onder de werking van de tussen de Nederlandse Regering en de Duitse Bondsregering gesloten overeenkomst, vervat in op 5 en 21 oktober 1964 tussen de beide regeringen gewisselde nota's (Trb. 1965,216). Uit dien hoofde wordt hij beschouwd als lid van een krijgsmacht of een civiele dienst in de zin van artikel X van het Verdrag van Londen van 19 juni 1951 tussen de Staten, die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (Trb. 1951,114) hierna: het NAVO- Status Verdrag. Ingevolge dit artikel X wordt belanghebbende - partijen zijn het klaarblijkelijk erover eens dat belanghebbende uitsluitend uit hoofde van zijn vermelde hoedanigheid van onderwijzer op het grondgebied van Duitsland verbleef - geacht in Nederland te zijn blijven wonen en is hij in Duitsland vrijgesteld van belastingen op zijn salaris en emolumenten. In samenhang met artikel 2, lid 2, van de Wet brengt dit mede dat belanghebbende als (fictief) binnenlands belastingplichtige zonder enige beperking aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen. Ook voor de toepassing van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied, gesloten te 's-Gravenhage op 16 juni 1959 (Trb. 1959,85), hierna aan te duiden als het Nederlands-Duitse belastingverdrag, wordt belan