Rechtspraak Hoge Raad 1994-09-14
ECLI:NL:HR:1994:AA2960
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 23 juni 1992 betreffende na te melden beschikking ingevolge artikel 32a, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964 (in de tot 1 juni 1990 geldende tekst) waarbij belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor betaling van loonbelasting. 1. Beschikking van de Inspecteur, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. De Inspecteur heeft bij beschikking van 29 juni 1989 belanghebbende als bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. aansprakelijk gesteld voor een bedrag van f 3.438,-- wegens van deze vennootschap nageheven loonbelasting, welke beschikking na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 2.3. De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 7 januari 1994 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de klachten 3.1. De door het Hof in de punten 1.1 - 1.3 van zijn uitspraak - in cassatie niet bestreden - vastgestelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende niet binnen 14 dagen nadat de ontvanger hem dat had verzocht de ontbrekende gegevens heeft verstrekt. Reeds daarom kan belanghebbendes met verwijzing naar punt 3.7 van de resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 1987, nr. 586-31046, gepubliceerd in VN 1987, blz. 454 e.v. gedane beroep op een beweerde melding op 30 januari 1989 hem niet baten. Belanghebbendes in dat verband gegeven uitleg van artikel 2 van de Algemene Termijnenwet vindt geen steun in het recht. Op dit één en ander stuiten de klachten onder primair af. 3.2. In de uitspraak van het Hof ligt besloten dat de betalingsonmacht reeds bestond in de zogenaamde afdrachtfase. Hieruit volgt, gelijk de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 13 juli 1994, nr. 28.997, gepubliceerd in VN 1994, blz. 2718 e.v. dat belanghebbende de in artikel 32a, lid 1, van de Wet op de loonbelasting 1964 (in de tot 1 juni 1990 geldende tekst) vereiste mededeling slechts rechtsgeldig uiterlijk twee weken nadat de belasting had behoren te zijn afgedragen kon doen. De van een andere opvatting uitgaande klachten onder secundair falen derhalve. 3.3. De aan het slot van het beroepschrift in cassatie verwoorde klacht faalt op de gronden vermeld in 3.2 van de Conclusie van de Advocaat-Generaal. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet op de administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150,--. Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Den Ouden, in raadkamer van 14 september 1994.Mr. Van den Berge Derde Kamer B Conclusie inzake: Aansprakelijkstelling X loonbelasting 1988 tegen Parket, 7 januari 1994 de staatssecretaris van Financiën Edelhoogachtbaar College, 1. Korte beschrijving van de zaak. 1.1. Het beroep in cassatie is gericht tegen de schriftelijke uitspraak van het gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) van 23 juni 1992, nr. 892543. Het is ingesteld door de belanghebbende, X. 1.2. A B.V. (verder de B.V.), waarvan de belanghebbende bestuurder is heeft op 20 februari 1989 mededeling gedaan aan de ontvanger der rijks 1.1.>. Deze vaststelling kwam overeen met hetgeen partijen voor het Hof hadden gesteld<(8) Beroepschrift belanghebbende, 2e al., vertoogschrift blz. 2 3e al. >. (In zijn bezwaarschrift had de gemachtigde van de belanghebbende gesteld dat op 30 januari 1989 een formulier reden inzake betalingsonmacht was ingediend, maar deze stelling werd in het beroepschrift aan het Hof niet herhaald; op de zitting is de belanghebbende niet verschenen<(9) Uitspraak Hof, blz. 1 3e al.>.) Verder was tussen partijen niet in geschil, dat de ontvanger op 20 februari 1989 aan de B.V. om nadere - uiterlijk op 6 maart 1989 te verstrekken informatie had gevraagd omdat hij vond dat bij de melding onvoldoende gegevens waren verstrekt. Hij ontving deze informatie op 7 maart 1989. 2.4. Het Hof heeft overwogen dat de B.V. de betalingsonmacht na het verstrijken van de meldingstermijn heeft gemeld<(10) Uitspraak blz. 3, r.o. 3.2.>. 2.5. In cassatie<(11) Cassatieberoepschrift blz. 2 pt. 3.> wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de belanghebbende dat de betalingsonmacht al op 30 januari 1989 was gemeld. Daarbij wordt aangevoerd dat de belanghebbende gelet op de onder 2.3. geciteerde passage van de resolutie uit 1987 erop mocht vertrouwen dat de melding tijdig was. 2.6. De klacht berust kennelijk op de - onjuiste - veronderstelling dat al hetgeen in de bezwaarfase is aangevoerd, automatisch ook als voor het Hof aangebrachte stelling geldt. Het Hof heeft uit de omstandigheid dat deze stelling in het beroepschrift niet werd herhaald, kennelijk afgeleid dat de belanghebbende zich op die stelling niet meer wenste te beroepen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het beroep op het door de resolutie opgewekte vertrouwen is kennelijk gebaseerd op de veronderstelling, dat de Staatssecretaris heeft aangenomen dat de ontvanger slechts nadere informatie diende te vragen indien de onvolledige melding op zich tijdig was binnengekomen. Die veronderstelling ligt voor de hand, maar dat betekent nog niet dat de inspecteur een onjuist oordeel van de ontvanger over de tijdigheid van de mededeling niet zou mogen herstellen. Derhalve faalt deze klacht. 2.7. De tweede klacht (beroepschrift in cassatie blz. 2 pt. 4 en 5) betreft de vraag of de op verzoek van de ontvanger verstrekte informatie tijdig is verstrekt. Deze klacht faalt wegens gebrek aan belang omdat beslissend is of de mededeling van de betalingsonmacht tijdig is gedaan, hetgeen volgens het Hof niet het geval was. 2.8. Als derde klacht (beroepschrift in cassatie blz. 2 ad subsidiair 1, 2 en 3) wordt aangevoerd dat de melding van de betalingsonmacht tijdig was, omdat de melding plaatsvond vóórdat de naheffingsaanslag werd opgelegd. Deze klacht faalt omdat de melding in dit geval slechts kon worden gedaan in de afdrachtfase (zie ook punt 2.1). 3. Waarvoor moet aansprakelijk worden gesteld. 3.1. Aan het slot van het cassatieberoepschrift wordt nog aangevoerd dat (het Hof) de beschikking had moeten vernietigen omdat deze niet op de juiste aanslag betrekking had. De bedoeling van deze klacht is mij niet duidelijk. Het nummer van de aanslag, vermeld in de beschikking tot aansprakelijkstelling (zie 1.3.) wordt ook genoemd in het bezwaarschrift, de uitspraak daarop en het beroepschrift aan het Hof. 3.2. Wellicht wordt bedoeld dat de Inspecteur de belanghebbende aansprakelijk had moeten stellen voor het niet-nakomen door de B.V. van de afdrachtplicht en niet voor het niet-betalen van de naheffingsaanslag. Daarmee zou worden miskend dat een inhoudingspichtige weliswaar verplicht is de ingehouden loonbelasting af te dragen, maar dat die verplichting als zodanig niet kan worden afgedwongen.<(12) Zie o.a. J.P. Scheltens, De Algemene wet inzake rijksbelastingen, losbl. ed. blz. 555 e.v. suppl. 4 (nov. 1969); Scheltens, noot onder HR 22 februari 1984 nr.21.979 en 22.238, BNB 1984/234; J.J. Vetter en P.J. Wattel, Hoofdzaken invordering, 3e dr. 1993, par.