Rechtspraak Hoge Raad 1993-04-14
ECLI:NL:HR:1993:ZC5317
Hoge Raad der Nederlanden derde kamer nr. 27.789 14 april 1993 TB ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 september 1990 betreffende na te melden haar opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. Aan belanghebbende is ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak, het woonhuis aan de [a-straat 1] te [Z], een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van f 15.900, -- zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 2.3. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 23 april 1992 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het Hof heeft het volgende als vaststaand aangemerkt. Belanghebbende is in 1969 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, waarbij iedere gemeenschap van goederen werd uitgesloten. In 1978 is bij notariële akte door de echtgenoten onder beding van hoofdelijke gebondenheid een schuld aangegaan jegens Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. Deze schuld, groot f 250.000, -- , werd aangegaan ter financiering van het aan te kopen woonhuis, [a-straat 1] te [Z]. Op 2 maart 1978 heeft de echtgenoot van belanghebbende dit woonhuis in eigendom verkregen. Bij vonnis van 1 juli 1987 van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht is tussen belanghebbende en haar echtgenoot de echtscheiding uitgesproken. Na een daartoe gedaan verzoek heeft voornoemde rechtbank bij beschikking van 4 mei 1988 aan partijen toestemming verleend om het huwelijksvermogensregime te wijzigen in dat van een beperkte gemeenschap van goederen, bestaande uit het woonhuis, twee polissen van levensverzekering en de hypothecaire geldlening, toen groot pro resto f 235.000, --. De akte van wijziging van de huwelijkse voorwaarden werd verleden op 1 juni 1988. Op 2 juni 1988 werd de akte ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. Op 27 juni 1988 is het echtscheidingsvonnis ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op 30 juni 1988 werd de beperkte gemeenschap gescheiden en gedeeld en werd het woonhuis toegescheiden aan belanghebbende onder de verplichting de hypothecaire geldlening, tot een bedrag van f 190.000, -- , voor haar rekening te nemen. De twee polissen van levensverzekering werden toegescheiden aan haar echtgenoot. Het vermogen van de echtgenoten bestond vóór de wijziging in het huwelijksvermogensregime onder meer uit het door hen bewoonde woonhuis dat ten name stond van de echtgenoot van belanghebbende; de daarop rustende hypothecaire schuld was door beiden aangegaan. 3.2. In cassatie is aan de orde de vraag of het Hof terecht met toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking de verkrijging van het woonhuis door belanghebbende als een aan de heffing van overdrachtsbelasting onderworpen verkrijging heeft aangemerkt. De Hoge Raad zal eerst onderdeel b van het middel behandelen. 3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat doel en strekking van artikel 3, aanhef en letters a en b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (verder: de Wet) zouden worden miskend indien gehuwde belastingplichtigen een door hen gewenste overdracht van onroerend goed door de een aan de ander buiten de belastingheffing zouden kunnen houden door deze reeds overeengekomen overdracht op te nemen in een te creëren en vrijwel onmiddellijk daarna weer te ontbinden goederengemeenschap en de scheiding en deling van die ontbonden gemeenschap. Met dit oordeel heeft het H