Rechtspraak Hoge Raad 1993-09-17
ECLI:NL:HR:1993:ZC1062
17 september 1993Eerste KamerNr. 15.081AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser] ,wonende te [woonplaats] ,EISER tot cassatie, advocaat: Mr. G. Snijders, t e g e n Mr. Jan Victor Constant CONSTANDSE, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V. , wonende te [woonplaats] ,VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen de curator - heeft bij exploit van 15 oktober 1984 eiser tot cassatie - verder te noemen [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en - na zijn eis tweemaal te hebben gewijzigd - gevorderd [eiser] te veroordelen om aan de curator te betalen de som van ƒ 967.027,59, met rente en kosten, en het gelegde beslag van waarde te verklaren. Nadat [eiser] tegen de vorderingen verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 1 oktober 1985 een comparitie van partijen gelast. Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 8 januari 1987 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis vernietigd, [eiser] toegelaten bewijs te leveren, en de zaak naar de Rechtbank teruggewezen ten einde deze met inachtneming van dit arrest verder af te doen. Na gehouden getuigenverhoren heeft de Rechtbank tussenvonnissen gewezen op 28 juni 1988, en 2 mei 1989 en bij eindvonnis van 18 september 1990 de vordering van de curator toegewezen tot een bedrag van ƒ 134.350,--, het gelegde beslag van waarde verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Tegen de vonnissen van 28 juni 1988, 2 mei 1989 en 18 september 1990 heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, waarna [eiser] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Bij arrest van 12 maart 1992 heeft het Hof in het principaal appel de curator niet ontvankelijk verklaard in zijn appel tegen het vonnis van 28 juni 1988, en alvorens verder te beslissen in het principaal en in het incidenteel appel partijen in de gelegenheid gesteld zich bij acte uit te laten omtrent de in het arrest gestelde vragen. Het arrest van 12 maart 1992 van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen laatstgenoemd arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen de curator is verstek verleend. [eiser] heeft zijn zaak doen toelichten door zijn advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Bij vonnis van 18 september 1984 is [A] B.V. (verder [A] B.V. ), gevestigd te [vestigingsplaats] , in staat van faillissement verklaard met benoeming van Mr. J.V.C. Constandse tot curator. Directeur van [A] B.V. was [eiser] , die ook 50% van de aandelen in die vennootschap hield. De activiteiten van [A] B.V. zijn medio 1984 gestaakt. [A] B.V. had een deel van de onroerende zaken die zij bij de uitoefening van haar onderneming in gebruik had, gehuurd van [eiser] en [betrokkene 1] in privé (de laatste verder [betrokkene 1] ). De curator heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd wanprestatie, dan wel onrechtmatige daad door, en ongerechtvaardigde verrijking van [eiser] . 3.2 Middel I is gericht tegen een aantal oordelen van het Hof in zowel zijn eerste arrest - van 8 januari 1987 - als in zijn tweede arrest - van 12 maart 1992 - welke oordelen bouwstenen zijn voor de slotsom van het Hof dat, kort weergegeven, [eiser] als directeur van [A] B.V. wanprestatie jegens die vennootschap heeft gepleegd door na het staken van de activiteiten van [A] B.V. , het bedrijf van die vennootschap in feite voort te zetten met gebruikmaking van de tot het bedrijfsvermogen van [A] B.V. behorende activa, zonder dat daartegenover enige tegenprestatie ten gunste van de boedel heeft gestaan. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 5 tot en met 9