Rechtspraak Hoge Raad 1993-03-10
ECLI:NL:HR:1993:BH8423
Hoge Raad der Nederlanden d e r d e k a m e r nr. 27.992 10 maart 1993 TB ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 maart 1991 betreffende na te melden uitspraak als bedoeld in artikel 32 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de heffing van vennootschapsbelasting voor het jaar 1981. 1. Uitspraak van de Inspecteur en geding voor het Hof De Inspecteur heeft met machtiging van de Staatssecretaris van Financiën bij uitspraak van 12 juli 1985 besloten voor de heffing van de vennootschapsbelasting voor het jaar 1981 ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met:- de overeenkomst, waarbij belanghebbende aan [A] N.V. te [Q] een bedrag van ƒ 8.865.000,-- schuldig is gebleven ter zake van de verwerving door belanghebbende op 30 december 1980 van alle aandelen in [B] , [C] B.V. en [D] ; en - de overeenkomst van geldlening ten bedrage van ƒ 5.000.000,-- op 8 september 1981 tussen belanghebbende en [A] N.V. te [Q] gesloten, welke in de plaats treedt van bovenvermelde overeenkomst, welke ziet op de verwerving van de aandelen als hiervoor omschreven. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende is op 30 december 1980 opgericht. Haar aandelen zijn in bezit van haar oprichtster, [A] N.V. De aandelen van laatstgenoemde vennootschap zijn voor 50 percent in handen van [E] N.V., van welke vennootschap [F] in het onderhavige jaar alle aandelen bezat, en voor 50 percent in handen van [G] N.V., waarvan alle aandelen in het onderhavige jaar in bezit waren van [H] . Op de dag van haar oprichting verwierf belanghebbende van haar oprichtster alle aandelen in [B] B.V., [C] B.V. en [D] B.V. (hierna: de werkmaatschappijen) voor een bedrag van ƒ 8.865.000,--, welk bedrag werd schuldig gebleven. Een bedrag van ƒ 3.865.000,-- is op 9 september 1981 per bank voldaan en het resterende bedrag van ƒ 5.000.000,-- is schuldig gebleven in de vorm van een rentedragende geldlening. Bij vorenvermelde uitspraak heeft de Inspecteur besloten met toepassing van artikel 31 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor de heffing van vennootschapsbelasting over het jaar 1981 ten laste van belanghebbende geen rekening te houden met de hiervóór onder 1 bedoelde overeenkomsten. Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de overdracht door [A] N.V. aan belanghebbende van de aandelen in de werkmaatschappijen en het schuldig blijven door belanghebbende van de koopsom, welke schuld op 8 september 1981, tegelijk met de voldoening van een gedeelte groot ƒ 3.865.000,--, is omgezet in een rentedragende geldlening ten bedrage van ƒ 5.000.000,--, geen wezenlijke verandering van de feitelijke verhoudingen tussen [A] N.V. en de werkmaatschappijen ten doel hebben gehad, dat zulks bevestiging vindt in de omstandigheid dat [A] N.V. via belanghebbende nog steeds alle invloed in de werkmaatschappijen kan uitoefenen, en bovendien desgewenst nog steeds - zij het deels ten titel van aflossing van en rente op een vordering - volledig over alle reserves van de werkmaatschappijen kan beschikken, en dat de doorslaggevende reden voor genoemde transacties de verijdeling van de heffing van vennootschapsbelasting is geweest. Deze oordelen zijn van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk zodat zij in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden. Voor zover het eerste onderdeel van het middel tegen deze oorde