Rechtspraak Hoge Raad 1992-09-16
ECLI:NL:HR:1992:ZC5079
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN derde kamer nr. 27.523 16 september 1992 SM ARREST Gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretarisvan Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 maart 1990 betreffende het bedrag dat door de naamloze vennootschap [X] N.V.te [Z] als omzetbelasting op aangifte is voldaan over het tijdvak juni 1988. 1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof. Belanghebbende heeft over voormeld tijdvak op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 1.556.354,-- aan omzetbelasting. Bij bezwaar tegen het op aangifte voldane bedrag heeft belanghebbende verzocht om verlening van een teruggaaf ten bedrage van ƒ 22.928,--. De Inspecteur heeft bij uitspraak besloten geen teruggaaf te verlenen. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak van de Inspecteur heeft vernietigd en heeft verstaan dat de Inspecteur aan belanghebbende over de maand juni 1988 een teruggaaf van omzetbelasting zal verlenen van ƒ 22.928.--.De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie. De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie. 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende houdt zich bezig met de distributie van gas in een deel van Oost-Brabant en verder - onder meer - met de distributie van water in een deel van dat gebied; zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Ten behoeve van haar onderneming beschikt zij over een geautomatiseerd verbruikersbestand, waarvan een kleinverbruikersaansluitingenbestand (hierna: het bestand) deel uitmaakt. Zij heeft met twee waterschappen, te weten het waterschap De Dommel en het waterschap De Aa, een overeenkomst gesloten, ingevolge welke belanghebbende tegen betaling werkzaamheden verricht ten behoeve van de inning van de verontreinigingsheffing (zuiveringslasten) genoemd in de Heffingsverordening verontreiniging oppervlaktewateren van de beide waterschappen, voor zover het gaat om de inning van deze heffing ter zake van woningen en kleine bedrijfsruimten. De voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als vaststelling van de aanslag aan te merken vaststelling van het gevorderde bedrag, en ook de uitreiking van de kennisgeving van het gevorderde bedrag, die als uitreiking van een aanslagbiljet is op te vatten, geschieden door ieder waterschap zelf. Belanghebbende voert elk jaar in haar bestand in het tarief van de verontreinigingsheffing per vervuilingseenheid, zoals haar door de waterschappen is opgegeven. Elk van de waterschappen heeft aan belanghebbende de code verstrekt die voor elke verbruiker geldt, en aangeeft voor hoeveel vervuilingseenheden de verbruiker de verontreinigingsheffing moet betalen. Automatisch wordt dan door de koppeling van het aantal vervuilingseenheden aan het tarief van de verontreinigingsheffing voor iedere verbruiker in het bestand opgenomen voor welk bedrag aan heffing hij voor het betreffende jaar is aangeslagen. Mutaties die in het bestand moeten worden aangebracht, worden door de waterschappen in de vorm van codemutatieformulieren aan belanghebbende verstrekt en zij toetst die gewijzigde code dan in haar bestand in. Op de maandelijkse voorschotfacturen die belanghebbende aan haar verbruikers verzendt wegens het verbruik van gas en/of water, wordt tevens berekend 1/12 van de verontreinigingsheffing, een methode die wel wordt aangeduid als "meeliften". Belanghebbende ontvangt dus in beginsel maandelijks 1/12 van de gefactureerde verontreinigingsheffing en geeft eveneens maandelijks bij wijze van voorschot een vast bedrag aan de waterschappen door. Als een maandfactuur niet door de verbruiker wordt betaald, wordt het bedrag voor