Rechtspraak Hoge Raad 1992-06-17
ECLI:NL:HR:1992:ZC5018
Hoge Raad der Nederlanden d e r d e k a m e r nr. 27.639 17 juni 1992 TB ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur van de afdeling Financiën van de gemeente (hierna de Directeur) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 juni 1990 betreffende na te melden aan de [Q] naamloze vennootschap N.V. [X] te [Z] opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Q]. 1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof. 1.1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1984 wegens het genot krachtens zakelijk recht en wegens het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [a-straat 1] te [Q], op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 2.108.000,--. Deze aanslagen zijn na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Directeur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak heeft vernietigd en de aanslagen heeft verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van f 1.252.000,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Verordening. In de gemeente [Q] is een Verordening onroerend-goedbelastingen 1984 van kracht waarvan de voor het onderhavige geding van belang zijnde bepalingen luiden als volgt: Grondslag van de belastingen. Artikel 2. De grondslag waarnaar de in artikel 1 bedoelde belastingen worden geheven is de waarde welke aan het onroerend goed in het economische verkeer kan worden toegekend. Heffingsgrondslag. Artikel 4. 1. Voor de vaststelling van de heffingsgrondslag wordt de waarde in het economische verkeer bepaald op die welke aan het onroerend goed dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger het goed in de staat waarin het zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in feitelijk gebruik zou kunnen nemen. 2. Met betrekking tot een onroerend goed als bedoeld in het derde lid wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de heffingsgrondslag gesteld op de vervangingswaarde van dat goed, bij de bepaling waarvan rekening wordt gehouden met de technische en de functionele veroudering die is opgetreden sedert de stichting van het goed, waarbij de invloed van latere wijzigingen mede in aanmerking wordt genomen. 3. Het bepaalde in het tweede lid is van toepassing met betrekking tot het onroerende goed waarvoor redelijkerwijs geen verkrijger kan worden gevonden die het goed zou willen verwerven tegen een bedrag dat in een redelijke verhouding staat tot de in het tweede lid bedoelde waarde, en die het goed overeenkomstig het eerste lid in gebruik zou willen nemen met inachtneming van de aard en de bestemming daarvan. Als een zodanig goed wordt in ieder geval aangemerkt het onroerende goed dat naar zijn specifieke aard en inrichting is bestemd om te worden gebruikt ten behoeve van: enzovoorts. 5. Bij de toepassing van de leden 1 tot en met 3 blijft buiten aanmerking de waarde van tot het onroerende goed behorende, daaraan al dan niet aard- of nagelvast verbonden werktuigen welke verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. 6. Enzovoorts. 3. Geding in cassatie. De Directeur heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden. De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 23 oktober 1991 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Beoordeling van de klachten. 4.1. In de toelichting op de klacht onder 1 wordt herhaald de stelling dat artikel 4, lid 5, van de Verordening in artikel 5, aanhef en letter a, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen (sedert 1 januari 1992 Besluit gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen; hierna: het Besluit) onverbindend zijn omdat deze bepalingen niet inhouden een nadere