Rechtspraak Hoge Raad 1989-06-28
ECLI:NL:HR:1989:ZC4067
Hoge Raad der Nederlanden derde kamer nr. 25.464 28 juni 1989 PdM ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juni 1987 betreffende de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1981. 1. Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1981 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 847.302,-- , waarvan f 675.800,-- , is belast naar een tarief van 20 percent, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is gehandhaafd. 2. Geding voor het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft als tussen partijen vaststaande aangemerkt: "1. Belanghebbende en zijn broer [A] waren tot 1981 beiden directeur van [B] Holding B.V. te [Z] (hierna ook wel te genoemd: de Holding). [C] bedreef in die tijd - kort gezegd - de scheepsbouw, -reparatie en -onderhoud, het bouwen van lieren en de handel in schepen en scheepsbenodigdheden. De groep was een familiebedrijf waarin belanghebbende met name de commerciële activiteiten en zijn broer met name de technische aspecten verzorgde. 2. Na een periode van redelijke resultaten is in 1979 een groot verlies van f 2.500.000,-- geleden, in belangrijke mate ontstaan door fouten bij de bouw van enkele schepen. Tevens wensen in deze periode de betrokkenen een groot aantal wijzigingen in de organisatie van de groepsvennootschappen aan te brengen en in de mogelijkheid van bedrijfsopvolging door niet-familieleden te voorzien. Dat is gepaard gegaan met een ernstige verwijdering tussen beide broers. Het verschil van inzicht liep zo hoog op dat de continuïteit van de groep werd bedreigd. Uiteindelijk is besloten tot een defungeren van [A] . 3. Na langdurige onderhandelingen werd op 23 oktober 1981 overeenstemming bereikt over de defungeringsovereenkomst. [A] verkocht ter uitvoering daarvan zijn aandelen in de Holding aan een door belanghebbende op te richten vennootschap [D] Holding B.V. Deze verkoop is na de oprichting door laatstbedoelde vennootschap bekrachtigd. Vervolgens heeft belanghebbende op 29 december 1981 zijn nominaal f 25.000,-- prioriteitsaandelen en nominaal f 155.000,-- gewone aandelen in de Holding ingebracht in deze nieuwe vennootschap tegen uitgifte van nominaal f 25.000,-- preferente aandelen en nominaal f 25.000,-- gewone aandelen van die vennootschap. De achtergrond van deze transactie was dat met ingang van 1 januari 1982 een fiscale eenheid tussen [D] Holding B.V. en [B] Holding B.V. diende te worden gevormd. 4. Het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen bedroeg f 251.102,80. Bij de vaststelling van de aanslag is wegens het constateren van winst uit aanmerkelijk belang ter zake van evenbedoelde inbreng de volgende correctie aangebracht: Vervreemdingsprijs ƒ 900.000,-- Verkrijgingsprijs ƒ 203.800,-- Winst uit aanmerkelijk belang ƒ 596.200,-- Het belastbaar inkomen werd vastgesteld op f 847.302,--. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift werd de aanslag gehandhaafd. 5. In de loop van 1984 zijn de aandelen [D] Holding B.V. verkocht aan de Damen-groep voor f 1,--. Afhankelijk van de uitkomst van deze procedure zal belanghebbende een beroep doen op artikel 60 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet )." Het Hof heeft het geschil als volgt omschreven: "In geschil is de aangebrachte correctie. Het geschil hangt samen met de vraag of de meergenoemde inbreng moet worden aangemerkt als vervreemding in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Wet, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. De hoogte van de correctie zelf is niet in geschil." Het Hof heeft de standpunten van partijen als volgt weergegeven: "Standpunt van belanghebbende. 1. Belanghebbende stelt dat bij de onderhavige inbreng, ook wel aandelenruil genoemd, geen aanmerkelijk belangwinst is gerealiseerd aangezien in deze ruil slechts een formele verandering is te zien Geding in cassatie. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Hij heeft het volgende middel van cassatie voorgesteld: "De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven, nu het Gerechtshof de inbreng van de aandelen [B] Holding B.V. in [D] Holding B.V. heeft aangemerkt als een vervreemding in de zin van art. 39, lid 1 van de Wet IB '64. Als toelichting moge het volgende dienen. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet IB '64 met betrekking tot het begrip vervreemding, zoals dat in art. 39 van de Wet IB '64 wordt gebezigd, blijkt niet dat aan dit begrip een andere inhoud is gegeven dan onder het Besluit IB '41 gold. Naar het oordeel van belanghebbende heeft dan ook het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1960, BNB 1960/123 zijn betekenis gehouden voor de uitleg van dit begrip binnen het kader van de aanmerkelijk-belangregeling. Belanghebbende wijst er in het bijzonder op, dat bij het tot stand komen van de Wet IB '64 de opvatting van de Hoge Raad met betrekking tot het begrip vervreemding aan de wetgever bekend was, en deze geen aanleiding heeft gevonden daarin wijziging te brengen. Aan voornoemd arrest ontleent belanghebbende, dat de vervangingsgedachten voor het aanmerkelijk belang niet wordt afgewezen indien: a. de nieuw verworven aandelen een aanmerkelijk belang vormen; b. geen anderen zeggenschap krijgen via de houdstermaatschappij in de oorspronkelijke vennootschap; c. de reserves niet via de houdstermaatschappij overgegaan zijn op anderen; d. de winstrechten van de oorspronkelijke aandeelhouder dezelfde zijn gebleven. In het onderhavige geval is niet in geschil dat aan de voorwaarden a. tot en met d. is voldaan. Op grond hiervan is naar het oordeel van belanghebbende met betrekking tot de litigieuze inbreng geen sprake van vervreemding in de zin van art. 39 van de Wet IB '64. Belanghebbende voelt zich in zijn zienswijze gesteund door de opvatting van prof. dr. J.E.A.M. van Dijck, die is neergelegd in De aanmerkelijk-belangregeling, FED 3e dr. 1984, blz. 52 en in gevallen als het onderhavige een belastbare vervreemding afwijst hetzij op grond van de onveranderde economische eigendom, hetzij op grond van het ontbreken van winstrealisatie. Evenzo steunt ook dr. T. Blokland in 7.4 van zijn dissertatie "Winst uit aanmerkelijk belang" de door belanghebbende voorgestane uitleg. Anders dan het Gerechtshof overweegt vormt naar het oordeel van belanghebbende de regeling van art. 40 van de Wet IB '64 geen beletsel voor het volgen van zijn standpunt. In de gevallen van aandelenfusie wordt immers niet voldaan aan met name voorwaarde b. als hiervoor vermeld, terwijl ook veelal niet zal worden voldaan aan de voorwaarde c. Op grond hiervan is een uitdrukkelijke regeling van de fusiefaciliteit nodig." De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. De Advocaat-Generaal van Soest heeft op 25 november 1988 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 251.102,80 en een belastingvrije som van f 11.371,-- , de belastbare som geheel belast op de voet van de tabel. 4. Beoordeling van het middel van cassatie. 4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: belanghebbende en zijn broer [A] waren tot in 1981 directeur en - ieder voor de helft - aandeelhouder in [B] Holding B.V. (hierna te noemen: P. en A. Holding). In 1981 werd overeenstemming bereikt over het uittreden van [A] . Daartoe werd opgericht [D] Holding B.V. (hierna te noemen: A. Holding) waarvan alle aandelen werden genomen door belanghebbende, terwijl [A] zijn aandelen P. en A. Holding verkocht en overdroeg aan A. Holding. Op 29 december 1981 heeft belanghebbende zijn pakket van f 25.000,-- prioriteitsaandelen en nominaal f 155.000,-- gewone aandelen P. en A. Holding ingebracht in A. Holding tegen uitgifte van nominaal f 25.000,-- preferente aandelen en nominaal f 25