Rechtspraak Hoge Raad 1989-01-27
ECLI:NL:HR:1989:AD5719
27 januari 1989 Eerste Kamer Nr. 13.444 S.J. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: aanvankelijk: Mr. J.J.C. Klep, thans : Mr. F.W. van der Zwan, t e g e n De Nederlandse Orde van Advocaten, gevestigd te 'sGravenhage, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: Mr. H.P. Utermark. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - hierna te noemen [eiser] - heeft bij exploit van 13 december 1985 verweerster in cassatie - verder te noemen de Orde - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd dat 1. de Orde zal worden veroordeeld om het beroep, door [eiser] ingesteld bij de Algemene Raad van de Orde, alsnog gegrond te verklaren of te doen verklaren en een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling van de verplichting om bij deze kantoor te houden, althans niet langer te weigeren een patroon aan te wijzen of te doen aanwijzen met vrijstelling als voormeld, althans de verordeningen nrs. 15 en 16 d.d. 25 november 1983 respectievelijk 30 maart 1984, zoals gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 13 april 1984, nr. 75, in te trekken of te doen intrekken, althans te schorsen of te doen schorsen, zulks op verbeurte van een dwangsom voor iedere dag dat de Orde in gebreke blijkt aan het te wijzen vonnis te voldoen; 2. althans de verordeningen nrs. 15 en 16 buiten werking zullen worden gesteld. Nadat de Orde tegen die vorderingen verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 4 februari 1986 de eis tot gegrondverklaring van het beroep op de Algemene Raad (met aanwijzing van een patroon cum annexis) en de eis tot schorsing, intrekking of buitenwerkingstelling van artikel 4 lid 2 van de Stageverordening afgewezen en, alvorens verder te beslissen, de behandeling aangehouden voor een onderzoek naar de in het vonnis met betrekking tot artikel 4 lid 3 en artikel 5 leden 3 en 4 van de Stageverordening omschreven vragen. Tegen dit vonnis heeft de Orde hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarna [eiser] incidenteel hoger beroep heeft ingesteld. Bij arrest van 24 april 1987 heeft het Hof in het principaal hoger beroep het vonnis van de President, voor zover daarbij de zaak is aangehouden voor een nader onderzoek, vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van [eiser] tot intrekking, schorsing of buitenwerkingstelling van artikel 4 lid 3 en artikel 5 leden 3 en 4 van de Stageverordening afgewezen, en in het incidenteel hoger beroep het vonnis van de President, voor zover daarbij de vorderingen van [eiser] zijn afgewezen, bekrachtigd en het beroep voor het overige verworpen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Orde heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is schriftelijk toegelicht door [eiser] en voor de Orde door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. Het geschil van partijen heeft betrekking op de door het college van afgevaardigden van de Orde op 8 januari 1955 (Stcrt. 1955, 11) vastgestelde Stageverordening, zoals deze is komen te luiden na de vaststelling van de verordeningen nr. 15 van 25 november 1983 (Stcrt. 1984, 75) en nr. 16 van 30 maart 1984 (Stcrt. 1984, 75). [eiser], die zich als advocaat en procureur heeft doen inschrijven bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, verlangt van de raad van toezicht van de orde van advocaten in het arrondissement 's-Hertogenbosch dat deze op de voet van artikel 5 lid 2 van de Stageverordening