Rechtspraak Hoge Raad 1989-01-27
ECLI:NL:HR:1989:AD0614
27 januari 1989 Eerste Kamer Rek.nr. 7354 Br. Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: DE GEMEENTE ’s-HERTOGENBOSCH, zetelende te ’s-Hertogenbosch, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: Mr. P.A. Wackie Eijsten, t e g e n [verweerder 1], [verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, advocaat: Mr. K.T.B. Salomons. 1. Het geding in feitelijke instanties Bij het op 14 oktober 1986 ter griffie ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie, hierna te noemen de Gemeente zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch met het verzoek te willen vaststellen dat door verweerders in cassatie, hierna te noemen [verweerders], zal worden voldaan een totaalsom van ƒ. 19.145,17, casu quo, ƒ. 17.084,16 te vermeerderen met een jaarlijkse rente van 8% vanaf 15 januari 1986 en 6% vanaf 1 april 1986 over de niet-betaalde hoofdsom. Nadat [verweerders] tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 7 juli 1987 het primaire verzoek afgewezen en het subsidiaire verzoek toegewezen in dier voege, dat de Kantonrechter heeft vastgesteld dat ter zake gemaakte kosten van bijstand door de Gemeente terstond een bedrag kan worden ingevorderd van ƒ. 17.084,16 te vermeerderen met de rentepercentages als verzocht ingaande de in het verzoekschrift genoemde data. Tegen deze beschikking heeft [verweerders] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Bij beschikking van 6 januari 1988 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en het verzoek alsnog afgewezen. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerders] heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. 3. Beoordeling van het middel 3.1 De Gemeente heeft [verweerders] over de periode 20 april 1984 tot en met 14 januari 1986 bijstand verleend tot een bedrag van ƒ. 19.145,17 bruto (ƒ. 17.084,16 netto). Blijkens het op 28 mei 1984 aan [verweerders] verzonden besluit tot bijstandsverlening werd deze ‘’in beginsel, met toepassing van het Bijstandsbesluit Krediethypotheek, verleend in de vorm van een rentedragende geldlening (thans 8% per jaar) onder verband van krediethypotheek als bedoeld in art. 7a van de Algemene Bijstandswet’’. Tot het vestigen van de hypotheek is het in genoemde periode niet gekomen. Toen de Gemeente daartoe nadien wenste over te gaan, bleek [verweerders] niet meer tot medewerking bereid. De Gemeente meent dat zulks ten gevolge heeft dat ‘’de verleende bijstand thans terstond opeisbaar is’’ en heeft dienovereenkomstig ter zake van het totaalbedrag van de verstrekte bijstand de onderwerpelijke verhaalsvordering ingesteld. De Kantonrechter heeft geoordeeld dat in een geval als het onderhavige sprake blijft van bijstand verleend in de vorm van een rentedragende geldlening, zodat art. 71 a ABW van toepassing is, en heeft de vordering toegewezen. De Rechtbank heeft daarentegen geoordeeld dat in een geval als het onderhavige aan de bijstand het karakter van geldlening ontvalt en heeft de vordering afgewezen. 3.2 De onderdelen 1 en 3 van het middel treffen doel. De Rechtbank is ten onrechte ervan uitgegaan dat wanneer, in geval van bijstand die (zoals hier) op de voet van art. 7 a ABW wordt verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, deze hypotheek niet binnen drie maanden te rekenen van de aanvang van de bijstandsverlening is gevestigd, meewerken aan dat vestigen niet meer kan worden gevergd. De Rechtbank heeft dit uitgangspunt gebaseerd op art. 4 Bijstandsbesluit krediethypotheek (BKH), maar noch de tekst van deze bepaling, noch de daarop gegeven toelichting wettigen daaraan de