Rechtspraak Hoge Raad 1989-01-27
ECLI:NL:HR:1989:AD0610
27 januari 1989 Eerste Kamer Rek.nrs. 7297 t/m 7302 Br. Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaken van: De GEMEENTE 's‑GRAVENHAGE, zetelende te ’s-Gravenhage, telkens VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: Mr. C.N. Peijster, t e g e n (1) [verweerders 1], (2) [verweerders 2], (3) [verweerders 3], (4) [verweerders 4], (5) [verweerders 5], (6) [verweerders 6], allen wonende te 's‑Gravenhage, VERWEERDERS in cassatie, advocaat: Mr. D. Koningen. 1. Het geding in feitelijke instanties In december 1986 heeft verzoekster tot cassatie, nader te noemen de verhuurster, zich bij zes gelijkluidende verzoekschriften gewend tot de Kantonrechter te 's-Gravenhage met het verzoek aan de sub 1 tot en met 6 genoemde verweerders in cassatie, nader te noemen de huurders, een termijn te stellen om alsnog een voorstel tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst tussen partijen te aanvaarden en om — bij gebreke van een aanvaarding van dat voorstel — het tijdstip te bepalen waarop die huurovereenkomst zal eindigen. Nadat de huurders tegen die verzoeken verweer hadden gevoerd heeft de Kantonrechter bij beschikkingen van 4 maart 1987 de verhuurster niet ontvankelijk verklaard in haar verzoeken. Tegen deze beschikkingen heeft de verhuurster hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Bij beschikkingen van 18 augustus 1987 heeft de Rechtbank de beschikkingen van de Kantonrechter bekrachtigd. De beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van de Rechtbank heeft de verhuurster beroep in cassatie ingesteld. De cassatierekesten met in alle zaken vier identieke middelen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. De huurders hebben geconcludeerd tot verwerping van de beroepen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot verwerping van de beroepen. De Hoge Raad heeft alle zaken gevoegd. 3. Beoordeling van de middelen in alle zaken 3.1 De woningen waarom het in deze zaken gaat, behoren tot een door de verhuurster geëxploiteerd complex van flatwoningen, gesitueerd in drie blokken aan de [a-straat] te 's-Gravenhage. Toen het complex aan groot onderhoud toe was heeft de verhuurster tevens het plan opgevat om enkele verbeteringen aan te brengen, te weten gevel- en wandisolatie gecombineerd met enkele of dubbele beglazing. De kosten van die verbeteringen wilde de verhuurster doorberekenen in de huurprijs, hetgeen, afhankelijk van enkele of dubbele beglazing, zou leiden tot een huurverhoging van ƒ. 14,75 onderscheidenlijk ƒ. 19,80 per maand. Na uitvoerig overleg met de bewoners was een meerderheid vóór de beoogde verbeteringen en de daaraan verbonden huurprijsverhoging. De verhuurster heeft niettemin de verbeteringen aangebracht in alle woningen, ook in die van een kleine minderheid, waaronder de (onderhavige) huurders, die zich niet had uitgesproken voor een der beoogde verbeteringen, omdat die minderheid die voorzieningen niet beschouwde als verbeteringen met een zodanig rendement dat zij voormelde huurverhogingen per maand rechtvaardigen. Ten aanzien van de (onderhavige) huurders heeft de verhuurster de huurovereenkomst opgezegd en zich met het onder 1 weergegeven verzoek tot de Kantonrechter gewend. De verhuurster heeft haar verzoek gegrond op art. 1623 e , eerste lid onder 4e, BW, daarnaast aanvoerende dat de huurders door hun weigering om in te gaan op het door de verhuurster gedane redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst zich niet hebben gedragen als een goed huurder betaamt en derhalve wanprestatie hebben gepleegd. Ter beantwoording is de vraag of de verhuurster in een situatie als de onderhavige kan worden ontvangen in het in art. 1623 e , eerste lid, bedoelde verzoek tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen, dan wel of in die omstandigheden een geschil is gerezen dat slechts langs de weg van de artikelen 10 en 14 van de Huurprijzenwet woonruimte (Hpw) kan worden behandeld. De Kant