Rechtspraak Hoge Raad 1989-12-01
ECLI:NL:HR:1989:AB7833
1 december 1989 Eerste Kamer Nr. 13.675 S.v.G. Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [de man] , wonende te [woonplaats] , EISER tot cassatie, incidenteel verweerder, advocaat: Mr. M.H. van der Woude, t e g e n [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , VERWEERSTER in cassatie, incidenteel eiseres, advocaat: Mr. S.A. Boele. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerster in cassatie, verder te noemen [de vrouw] , heeft bij exploot van 25 oktober 1984 eiser tot cassatie, verder te noemen [de man] , gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd [de man] te veroordelen om tegen bewijs van kwijting aan haar te voldoen een bedrag van ƒ 9.794,07. Nadat [de man] tegen de vordering verweer had gevoerd en in reconventie gevorderd heeft [de vrouw] te veroordelen (1) tot betaling van een bedrag van ƒ 3.000,-- en (2) om binnen 48 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de in de conclusie van eis in reconventie genoemde roerende goederen aan [de man] af te geven, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag, daaronder begrepen een gedeelte van een dag, dat [de vrouw] in gebreke is aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 6 februari 1985 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 10 september 1986 [de vrouw] bewijslevering opgedragen, haar veroordeeld – in reconventie – tot afgifte van goederen aan [de man] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 100,-- per dag voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke zal blijven, tot een maximum van ƒ 10.000,-- en het meer of anders verzochte afgewezen. Tegen het vonnis van de Rechtbank van 10 september 1986 in conventie gewezen heeft [de man] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 26 november 1987 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening naar de Rechtbank te Amsterdam verwezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [de man] beroep in cassatie ingesteld, waarna [de vrouw] incidenteel beroep alsmede voorwaardelijk incidenteel beroep heeft ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van de beroepen, zij het dat [de vrouw] zich heeft gerefereerd met betrekking tot subonderdeel 1b van middel I van het principaal beroep en [de man] zich heeft gerefereerd met betrekking tot het onvoorwaardelijk ingestelde incidentele middel. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak en met een zodanige beslissing omtrent de kosten als de Hoge Raad zal menen te behoren. 3. Beoordeling van de middelen in het principaal beroep 3.1 De Rechtbank heeft de volgende feiten als vaststaand genoteerd. a. Vanaf begin 1978 tot 28 maart 1984 hebben partijen samengewoond. b. Op 25 januari 1980 heeft [de vrouw] met de Nederlandsche Middenstandsbank N.V. (NMB) kantoor Hilversum een doorlopend krediet-overeenkomst gesloten ter hoogte van ƒ 12.000,-- en met een aflossingsverplichting van tenminste ƒ 360,-- per maand met ingang van 28 februari 1980. De kredietlimiet is op 10 juli 1980 verhoogd tot ƒ 15.000,-- waarbij met ingang van 10 augustus 1980 de aflossingsverplichting op tenminste ƒ 450,-- per maand werd gesteld. Op 16 april 1981 werd de limiet nogmaals verhoogd, ditmaal tot ƒ 20.000,--, met een aflossingsverplichting van tenminste ƒ 600,-- per maand met ingang van 16 mei 1981. c. In 1980 hebben partijen ten behoeve van beider gebruik een auto van het merk Volvo, bouwjaar 1976, gekocht voor ƒ 5.000,--. Het kenteken werd op naam van [de vrouw] gesteld. In 1984 heeft [de vrouw] deze auto verkocht voor ƒ 1.250,--. d. Op 28 maart 1984