Rechtspraak Hoge Raad 1987-07-01
ECLI:NL:HR:1987:BH7136
Hoge Raad der Nederlanden Derde kamer 1 juli 1987. nr. 24.351 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 november 1985 betreffende de haar opgelegde aanslag tot naheffing van motorrijtuigenbelasting, aanslagnummer 9209.16.788.Y2. 1. Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met [kenteken] een aanslag tot naheffing van motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over de periode 1 november 1980 tot en met 31 oktober 1981, ten bedrage van f 765,-- aan enkelvoudige belasting en f 765,-- aan verhoging, welke aanslag op een daartegen gericht bezwaarschrift bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd, met het besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen. 2. Geding voor het Hof. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur en van diens besluit geen kwijtschelding van de verhoging te verlenen in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt: "dat belanghebbende op na te melden tijdstip houdster was van een motorrijtuig met [kenteken] en overigens de kenmerken zoals die zijn vermeld op het aanslagbiljet, waarvan een duplikaat zich bij de stukken bevindt; dat bij ambtelijke controle is geconstateerd, dat op 15 oktober 1981 met dit motorrijtuig de weg in de gemeente Amsterdam is gebruikt, zonder dat vooraf de belasting was betaald; dat de nageheven belasting is berekend over de periode 1 november 1980 tot en met 31 oktober 1981, tarief personenauto's, brandstof benzine, eigen gewicht 1500 kg, onder aftrek van de op de aangifte betaalde belasting over de perioden 1 december 1980 tot en met 28 februari 1981 en 16 augustus 1981 tot en met 31 oktober 1981, tarief vrachtauto's, brandstof benzine, eigen gewicht 1200 kg." Het Hof heeft het geschil en de standpunten van partijen omschreven als volgt: "dat het geschil de vragen betreft: 1. of het onderhavige motorrijtuig is aan te merken als een kampeerauto, zodat hierover is verschuldigd de belasting als bedoeld in artikel 1, sub b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966, 2. of de belasting terecht is nageheven mede over een periode waarin volgens belanghebbende met het motorrijtuig niet de weg is gebruikt, en 3. of het voormelde besluit terecht is genomen; dat belanghebbende deze vragen ontkennend beantwoordt op de in het beroepschrift vermelde gronden, waaraan de gemachtigde van belanghebbende het volgende - zakelijk weergegeven - heeft toegevoegd: De enige wijziging die belanghebbende heeft laten aanbrengen in het onderhavige motorrijtuig is het verhogen van het dak. Het is uitgesloten dat het schotje onder het verhoogde dak als slaapplaats voor twee kinderen kan dienen. Het dak is inderdaad voorzien van een ventilatieklep, het lag immers in belanghebbendes bedoeling van dit motorrijtuig een kampeerauto te maken. Iedere Bedford heeft twee openslaande deuren. De afvoerleiding in het motorrijtuig bestond uit een rubberen slang. Indien het voertuig gebruikt zou worden als kampeerauto zou datgene wat er aan afvoerleidingen etc. aanwezig was op de schroothoop terecht zijn gekomen. Een watertank was niet aanwezig. Het aanrecht bestond uit een stuk hardboard. De bekisting die er in zit, is voor mij - als nieuwe eigenaar van het motorrijtuig - gemakkelijk. Ik kan de planken daarin vastzetten. Het motorrijtuig stond ingeschreven als vrachtwagen. Daarvoor werd ook motorrijtuigenbelasting betaald. Ik ben niet bekeurd voor het hebben van een verkeerd kenteken. Ik leg u hierbij een kopie van het proces-verhaal over. Ik betaal op aanraden van [A] van het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting het voor vrachtauto's verschuldigde bedrag. [A] heeft tegen belanghebbende gezegd dat als zij het beroep introk de verhoging eraf getrokken ging. [A] is twee keer bij [X] geweest. De eerste keer heeft hij gesteld: Beroep intrekken en verhoging laten bestaan. De tweede keer heeft hij gesteld: Beroep intrekken en verhoging eraf. Het Centraal Bureau Motorrijtuigenbelasting heeft z