Rechtspraak Hoge Raad 1987-03-13
ECLI:NL:HR:1987:AG5571
13 maart 1987 Eerste Kamer Rek.nr. 7094 AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [verzoekster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, incidenteel verweerster, advocaat: Mr. H.J. van Gijssel, t e g e n [verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, incidenteel verzoekster, advocaat: Mr. J.L. de Wijkerslooth. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 25 mei 1984 ter griffie ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie — verder te noemen [verweerster] — zich gewend tot de Kantonrechter te Apeldoorn met het verzoek een uitspraak te willen doen in een geding over de betaling van servicekosten tussen [verweerster] en verzoekster tot cassatie — verder te noemen het Pensioenfonds —, de verhuurster van de flatwoning in kwestie, zoals in het inleidende verzoekschrift is omschreven. Nadat het Pensioenfonds tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij tussenbeschikking van 3 oktober 1984, alvorens nader te beslissen, het Pensioenfonds in de gelegenheid gesteld door middel van schriftelijke stukken opgave te verstrekken van de werkelijke kosten, welke zij in het seizoen 1981–1982 heeft gemaakt met betrekking tot het opheffen van storingen tussen de periodieke bezoeken aan de dakventilatoren en de electrische liftinstallaties, voor zover het opheffen van deze storingen kunnen worden aangemerkt als dagelijkse en kleine reparaties, en bepaald dat het Pensioenfonds zich te dien aanzien zal uitlaten voor 1 januari 1985. Bij beschikking van 2 oktober 1985 heeft de Kantonrechter de betalingsverplichting van [verweerster] met betrekking tot de bijkomende kosten van 1 juni 1981 tot 1 juni 1982 ten aanzien van de flatwoning aan de Hofstraat 50 te Apeldoorn vastgesteld op ƒ 2.098,50 (stookkosten ƒ 1.366,-- en servicekosten ƒ 732,50). Tegen deze beschikkingen heeft het Pensioenfonds hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zutphen. Bij beschikking van 3 april 1986 heeft de Rechtbank het beroep tegen de beschikkingen van de Kantonrechter te Apeldoorn d.d. 3 oktober 1984 en 2 oktober 1985 verworpen, voor zover tegen deze beschikkingen hoger beroep openstond, en voor het overige het Pensioenfonds niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft het Pensioenfonds beroep in cassatie ingesteld, waarna [verweerster] incidenteel beroep heeft ingesteld. Het cassatierekest en het rekest houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer verzocht de beroepen te verwerpen. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, in zoverre het Pensioenfonds daarbij niet algeheel niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep met alsnog niet-ontvankelijkverklaring van het Pensioenfonds in haar appel. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 Bij de beoordeling zowel van het principaal als van het incidenteel cassatieberoep moet van het volgende worden uitgegaan. [verweerster] heeft van het Pensioenfonds een flatwoning gehuurd. Zij heeft de Kantonrechter verzocht om de betalingsverplichting vast te stellen met betrekking tot de bijkomende kosten als bedoeld in art. 12, eerste lid, Huurprijzenwet Woonruimte (HpW). Het gaat hier om servicekosten over het seizoen 1981/1982, waarvan [verweerster] heeft gesteld dat de door het Pensioenfonds daaronder gerekende onderhoudskosten van de centrale verwarming en de liften en dakventilatoren haar niet als zodanig boven de huurprijs voor het enkele gebruik van de woonruimte (de kale huurprijs) in rekening mogen worden gebracht. Na bij tussenbeschikking reeds te hebben geoordeeld dat de kosten van het normale onderhoud van evenvermelde installaties in de kale huurprijs zijn vervat, heeft de Kantonrechter in zijn eindbeschikking de betalingsverplichting met