Rechtspraak Hoge Raad 1987-11-24
ECLI:NL:HR:1987:AD0069
24 november 1987 Strafkamer nr. 81.863 IP Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 december 1986 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 19 november 1984 – de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 eerste lid onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest is omschreven. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens hem heeft Mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld: I Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 348 en 349 jo 415 Sv., doordat het Hof met voorbijgaan aan deze bepalingen recht heeft gedaan in hoger beroep op een dagvaarding uitgebracht tegen 17 november 1986, zulks terwijl de Procureur-Generaal requirant eerder op geldige wijze al had gedagvaard in deze zaak, op 2 september 1986 tegen 22 september 1986. Op de zitting van 17 november 1986 had het Hof nu uit het proces-dossier wel blijkt van deze eerdere dagvaarding doch niet van een nietig-verklaring door het Hof noch van een intrekking van die dagvaarding en evenmin blijkt wat op de zitting van 22 september is voorgevallen, de geldigheid van de dagvaarding tegen 17 november 1986 alsmede de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ambtshalve moeten onderzoeken, althans heeft het Hof niet beslist naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. II Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van artikel 349 jo 415 van het Wetboek van Strafvordering, alsmede artikel 6 van het Verdrag van Rome, doordat het Hof uit het arrest niet heeft doen blijken dat het de vraag van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in hoger beroep heeft onderzocht, zulks terwijl pas op 17 november 1986 de behandeling bij verstek plaats vond van het appel ingesteld tegen het (niet bij verstek gewezen) vonnis van de Rechtbank van 19 november 1984. Het Hof had ambtshalve behoren te onderzoeken of het verstrijken van een zo lange termijn tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van het appel nog verenigbaar was met de fundamentele beginselen van een goede procesorde. De beantwoording van deze vraag is immers bepalend voor de ontvankelijkheid van het openbaar-ministerie in de (verdere) vervolging. III Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van artikel 359 jo 415 Sv., doordat het Hof heeft beslist dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kon blijven, omdat het tot een andere bewezenverklaring kwam dan de eerste rechter, terwijl uit het arrest niet blijkt waar of op welk onderdeel de bewezenverklaring van het Hof afwijkt van die van de Rechtbank.Het arrest is derhalve onbegrijpelijk, althans ondeugdelijk gemotiveerd, hetgeen nietigheid tot gevolg heeft. IV Verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving in dit geval nietigheid meebrengt en/of schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 342 en 359 lid 1 jo 415 van het Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof de bewezenverklaring van het telastegelegde feit, voor zover het betreft de verkoop van verdovende middelen in maart 1984, heeft doen steunen op één getuigenverklaring zodat de bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd. Toelichting Aan requirant is telastegelegd dat: “hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks maart 1984 en/of april 1984 te Amsterdam, (telkens) tezamen en in vereniging met Als verslag van eigen waarnemingen en bevindingen van voornoemde verbalisanten houdt dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: dat zij zich op 2 april 1984 op de openbare weg de Geldersekade te Amsterdam ter hoogte van de Nieuwmarkt bevonden; dat zij zich daar bevonden aangezien het bekend was dat in perceel [a-straat 1] verdovende middelen werden verhandeld; dat naar aanleiding van deze handel dat perceel onder observatie werd gehouden; dat zij via de portofoon van de observatiepost doorkregen dat een man perceel [a-straat 1] had verlaten en dat deze over de Zeedijk liep, komende uit de richting van de Stormsteeg en gaande in de richting van de Waterpoortsteeg; dat de observatiepost tevens het signalement van deze man doorgaf; dat zij zich onmiddellijk over de Geldersekade, richting Waterpoortsteeg begaven; dat zij, aldaar aangekomen, een man over de voetweg van de Waterpoortsteeg, komende uit de richting van de Zeedijk en gaande in de richting van de Geldersekade zagen lopen die voldeed aan het door de observatiepost doorgegeven signalement; dat zij zich naar de man begaven en de man aanhielden terzake van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet; dat hij, tweede verbalisant, zag dat de verdachte in zijn linkerhand twee papieren wikkels vasthield met daarin op heroïne gelijkende waar; dat zij deze wikkels ten behoeve van het onderzoek onder zich namen; dat de verdachte opgaf te zijn genaamd [getuige] ; Het proces-verbaal, nr. CER/BVM: 2800/84, d.d. 2 april 1984, op ambtsbelofte/ambtseed door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , respectievelijk hoofdagent en agent van gemeentepolitie te Amsterdam. Als verslag van eigen waarnemingen en bevindingen van voornoemde verbalisanten houdt dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: dat zij zich op 2 april 1984 op de openbare weg de Geldersekade te Amsterdam ter hoogte van de Stormsteeg bevonden; dat het hun bekend was dat vanuit perceel [a-straat 1] te Amsterdam verdovende middelen werden verkocht; dat in dit perceel een snackbar is gevestigd; dat in het kader van de bestrijding van de lokale handel in verdovende middelen deze snackbar onder observatie werd genomen; dat zij portofonisch doorkregen van de observatiepost dat een man, gekleed in een zwart jack en een zwarte broek en een paars T-shirt zojuist de snackbar had bezocht; dat die man wegliep naar de Nieuwmarkt; dat zij zich naar de Nieuwmarkt, hoek Zeedijk begaven en die man in hun richting zagen lopen; dat zij die man volgden en op de Nieuwmarkt verdachte van overtreding van artikel 2 van de Opiumwet aanhielden; dat de verdachte hun op hun verzoek twee wikkels verdovende middelen overhandigde; dat zij deze wikkels ten behoeve van het onderzoek onder zich namen; dat de verdachte opgaf te zijn genaamd: [betrokkene 1] ; Het proces-verbaal, nr. CER/BVM: 2800/84, d.d. 2 april 1984, op ambtsbelofte/ambtseed door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hoofdagent en agent van gemeentepolitie te Amsterdam. Als verklaring die is afgelegd door [getuige] tegenover voornoemde verbalisanten houdt dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in: dat hij sedert één jaar heroïne en cocaïne gebruikt; dat hij al ongeveer drie maanden lang, iedere dag in perceel [a-straat 1] te Amsterdam heroïne en cocaïne koopt. dat hij in totaal al ongeveer 90 keer daar heeft gekocht van de neger die hij voor 100% herkent van foto I; dat de neger op foto V hem altijd vroeg wat hij wilde hebben als hij binnenkwam; dat hij deze persoon ook voor 100% herkent; dat als hij binnenkwam de werkwijze als volgt was: hij liep naar de neger op foto V en bestelde bij hem wat hij hebben wilde, heroïne en cocaïne; hij liep dan door naar de neger van foto I die achter een kralengordijn zat en hij gaf hem geld; in afwachting van de komst van de heroïne en de cocaïne moest hij dan weer in het voorste gedeelte van de snackbar plaatsnemen; na ongeveer vijf minuten kwam dan de neger van foto I die he Als verslag van eigen waarnemingen en bevindingen van voornoemde verbalisant houdt dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: dat hij verdachte tijdens het verhoor een door de politiefotograaf gemaakte fotoserie, genummerd met rode viltstift I tot en met VIII, heeft getoond; dat de verdachte tijdens het verhoor twee negers van de getoonde fotoserie herkende; dat dit de negers op foto I en op foto II waren; dat op foto I staat afgebeeld: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961; dat op foto V staat afgebeeld: [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960; Het hof gaat ervan uit dat waar de verbalisant in laatstgenoemd proces-verbaal in zijn verklaring foto II noemt, hij foto V bedoelt, nu er in de verklaring van [betrokkene 1] ook sprake is van foto V en in de verklaring van verbalisant de persoon op foto V met name wordt genoemd; Het proces-verbaal nr. CER/BVM-2800/’84, d.d. 5 april 1984, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 5] , hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam. Als verslag van eigen waarnemingen en bevindingen van voornoemde verbalisant houdt dit proces-verbaal – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: Alle inbeslaggenomen stofen en materialen zijn ter beschikking gesteld van de hoofdinspecteur van politie, chef bureau verdovende middelen te Amsterdam. Op dienst last zijn deze stoffen tijdelijk overgedragen aan de deskundige verbonden aan het laboratorium van de politie Amsterdam. Het ongedateerd rapport, nr. 576 N84, opgemaakt in de zaak contra [getuige] door [betrokkene 3] . apotheker, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed. Als verklaring van de deskundige houdt dit proces-verbaal onder meer in – zakelijk weergegeven -: dat hij op 3 april 1984 van hoofdagent-rechercheur [verbalisant 5] ontving: A. 1 papiertje met 0,36 g wit poeder en B. 1 papiertje met 0,50 g crémekleurig poeder; dat het materiaal werd onderzocht en dat daarbij in het materiaal ad A. cocaïne en in het materiaal ad B. heroïne werd aangetoond; dat zijn conclusie luidt dat het materiaal ad A. cocaïne bevat en dat het materiaal ad B. heroïne bevat; Het ongedateerd rapport, nr. 573 N84, opgemaakt in de zaak contra [betrokkene 1] door [betrokkene 3] , apotheker, op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed. Als verklaring van de deskundige houdt dit rapport onder meer in – zakelijk weergegeven -: dat hij op 3 april 1984 van hoofdagent-rechercheur [verbalisant 5] ontving: A. 1 papiertje met 0,43 g crémekleurig poeder en B. 1 papiertje met 0,40 g wit poeder; dat het materiaal werd onderzocht en dat daarbij in het materiaal ad A. heroïne en in het materiaal ad B. cocaïne werd aangetoond; dat zijn conclusie luidt dat het materiaal ad A. heroïne bevat en dat het materiaal ad B. cocaïne bevat; 5. Beoordeling van het eerste middel 5.1. Tot de stukken van het geding behoren onder meer: A. het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op maandag 22 september 1986 ter terechtzitting van het Hof in hoger beroep terecht te staan ter zake van het feit bekend onder parketnummer 13.011.964.4, welke dagvaarding blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 15 september 1986 is uitgereikt aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam; B. het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op maandag 17 november 1986 ter terechtzitting van het Hof in hoger beroep terecht te staan ter zake van het feit bekend onder parketnummer 13.011.964.4, welke dagvaarding blijkens de daaraan gehechte akte van uitreiking op 4 november 1986 is uitgereikt aan de griffier van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam. 5.2. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat er op 22 september 1986 enige behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden of dat het Hof enige beslissing ter zake van de hiervoren onder 5.1 sub A bedoelde dagvaarding heeft genomen. 5.3. Gelet op de omstandigheden dat de hiervoren onder 5.1 sub A bedoel