Rechtspraak Hoge Raad 1987-03-17
ECLI:NL:HR:1987:AC9752
17 maart 1987 Strafkamer nr. 81.063 MH Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 9 juni 1986 In de strafzaak tegen: [verzoekster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 11 oktober 1985 - de verdachte ter zake van 1. en 2., telkens opleverende: "overtreding van een bij artikel 29 aanhef en onder b van de Politieverordening voor de gemeente [plaats] gegeven voorschrift", beide feiten in voortgezette handeling gepleegd, veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring van de In- beslaggenomen twee honden van het ras Dobermann Pinscher. 2. Het cassatieberoep Het beroep Is Ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. G. Spong, advocaat te 1s-Gravenhage, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld: Middel I Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 350,359, 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank aan het in de tenlastelegging voorkomende begrip "zorgen", welke geacht moet worden aldaar te zijn gebezigd in de ‘zin van art. 29 aanhef en onder b van de Politieverordening van de Gemeente , een met dat wettelijk voorschrift strijdige betekenis heeft toegekend, althans doordien het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Op grond hiervan heeft de Rechtbank niet beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, althans is de bewezenverklaring niet voldoende met redenen omkleed. Toelichting Overeenkomstig de uitleg die aan een zorgplicht in verschillende andere wettelijke regelingen is gegeven moet worden aangenomen dat de term "zorgen" in subjectieve zin met een objectivering naar boven moet worden opgevat. (vgl. de zorgplicht in de Veiligheidswet, thans Arbo-wet en de Leerplichtwet.) Op grond hiervan kan van rekwirante pas dan gezegd worden dat zij haar zorgplicht te dezer zake niet is nagekomen, indien uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat zij tekort is geschoten in het "redelijkerwijze te vorderen" toezicht op haar honden. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank de hierbedoelde zorgplicht in objectieve zin opgevat, zulks ten onrechte, zodat.zij niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de telastelegging. Middel II Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artt. 358, 359, 425 Sv. geschonden doordien de Rechtbank niet uitdrukkelijk heeft beslist op het door rekwirante in hoger beroep gevoerd verweer inhoudende "beide honden zijn vervolgens losgebroken" en het daarmee overeenstemmende verweer van haar raadsman, welke verweren bezwaarlijk anders vallen te verstaan dan als een beroep op afwezigheid van alle schuld. Het vonnis is op grond hiervan niet voldoende met redenen omkleed. Toelichting 1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft rekwirante verklaard zoals is weergegeven in het middel. 2. Blijkens de pleitnotities van de raadsman van rekwirante is voorzover hier van belang betoogd: "Het weglopen van de honden was een ongeluk" " [verzoekster] werd volkomen verrast door de reactie van de honden op de plotselinge verschijning van een kat." 3. Vorenweergegeven verweren behelzen evident een beroep op afwezigheid van alle schuld, aangezien het algemeen bekend is dat honden bij het waarnemen van (vreemde) katten dikwijls zodanig reageren, dat zij niet of nauwelijks in toom te houden zijn. Gelet op het feit dat het hier geen schoothondjes, maar dobermann-pinchers betreft kan er niet aan getwijfeld worden dat het verweer van rekwirante en haar raadsman er op neerkwam dat zij fysiek niet in staa Ik heb tevoren nooit problemen met mijn honden gehad. Ik heb gezegd dat ik de schade aan de mensen zou vergoeden, maar ik heb er niets meer van gehoord. Als ik de honden terugkrijg, dan zal ik ze wel een voor een uitlaten. Ik ben erg aan de honden gehecht en wil ze graag terug hebben.Blijkens gemeld proces-verbaal heeft verdachtes raadsman met betrekking tot het los lopen van de honden aangevoerd:Het is niet zo dat [verzoekster] makkelijk zou denken over het los laten lopen van de honden. Het weglopen van de honden was een ongeluk. [verzoekster] werd volkomen verrast door de reactie van de honden op de plotselinge verschijning van een kat. Toen de honden zich losgerukt hadden was het kwaad geschied en was er niets meer aan te doen. 5.2. Met betrekking tot de strafoplegging heeft verdachtes raadsman blijkens meergemeld proces-verbaal ter terechtzitting aangevoerd:Volgens art.. 136 van de politieverordening kan een geldboete van ten hoogste f 300,-- worden opgelegd. Blijkens art. 23 lid 6 Sr. kon derhalve maximaal een geldboete van de eerste categorie, een geldboete van f 500,-- worden opgelegd. (...) De honden zijn rashonden met een waarde van naar schatting f 1000,-- tot f 2000,-- per stuk, tezamen derhalve met een waarde tussen f 2000,-- en f 4000,--. Blijkens art, 33 lid 2 Sr. is art. 24 Sr. ook van toepassing bij verbeurdverklaring, wat betekent dat de- Kantonrechter in het onderhavige geval rekening had moeten houden met de waarde van de honden, wat de Kantonrechter waarschijnlijk niet gedaan heeft. Ook uit het oogpunt van beveiliging van de samenleving kan verbeurdverklaring bepaaldelijk niet noodzakelijk zijn, nu blijkens art. 29 lid 1 onder d van de politieverordening Burgemeester en Wethouders de mogelijkheid hebben [verzoekster] te verplichten de honden te voorzien van een doelmatige muilkorf of muilband indien deze op de weg komen. Voorzover de Rechtbank dat noodzakelijk mocht achten zou de Rechtbank die verplichting ook. in het kader van een bijzondere voorwaarde kunnen opleggen. (...) Conclusie:een geldboete van ten hoogste f 500,--, indien deze f 500,-- bedraagt in termijnen te voldoen; indien de Rechtbank een bijkomende straf of maatregel onvermijdelijk acht, een voorwaardelijke verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, indien de Rechtbank dat noodzakelijk acht met een bijzondere voorwaarde dat de honden worden voorzien van een muilkorf. 6. Beoordeling van de middelen 6.1. Kennelijk heeft de Rechtbank het hiervoren onder 5.1 weergegeven verweer opgevat - zoals zij het ook heeft kunnen opvatten - als een bestrijding van de telastegelegde feiten, voor zover daarin telkens aan de verdachte wordt verweten dat zij niet heeft voldaan aan haar verplichting ervoor te zorgen, dat de honden niet losliepen. De Rechtbank heeft dat verweer niet behoeven op te vatten als (bovendien) behelzende een beroep op een strafuitsluitingsgrond waaromtrent zij ingevolge het derde lid van art. 358 Sv. bepaaldelijk een beslissing diende te geven.6.2. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank geoordeeld - zoals zij ook heeft kunnen oordelen - , dat de door en namens de verdachte gestelde feiten en omstandigheden er niet aan kunnen afdoen dat de verdachte Is tekortgeschoten ten aanzien van het inachtnemen van de voorzichtigheid welke In verband met de te dezen op haar rustende zorgplicht redelijkerwijze van haar moet worden gevergd, aangezien zij - hoewel zij acht maanden zwanger was - de beide honden van het ras Dobermann Pinscher tegelijk heeft uitgelaten, terwijl zij had behoren te voorzien dat die honden door van buiten komende oorzaken - zoals het plotseling tevoorschijn komen van andere dieren - onverhoeds met zoveel kracht zouden trachten los te komen, dat zij dit laatste niet zou kunnen voorkomen zonder zichzelf en het kind waarvan zij zwanger was ernstig in gevaar te brengen.6.3. De Rechtbank heeft niet doen blijken te zijn uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent de in de telastelegging en in artikel 29 van de Politie-verorde