Rechtspraak
Hoge Raad
1986-06-04
ECLI:NL:HR:1986:AW8003
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
4,018 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:1986:AW8003 text/xml public 2026-04-16T10:48:20 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1986:BH6848 AW8003 Hoge Raad 1986-06-04 23 764 Uitspraak Cassatie NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl BNB 1986/240 FED 1986/1067 FED 1986/1117 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK V-N 1986/1794, 35 met annotatie van Redactie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1986:AW8003 text/html public 2026-04-16T10:47:54 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1986:AW8003 Hoge Raad , 04-06-1986 / 23 764 Gemeentelijke belastingen OGB algemeen. Genot krachtens zakelijk recht; kraakpand. Art. 2, vierde lid, Besluit OGB in deze niet verbindend. Hoge Raad der Nederlanden derde kamer 4 juni 1986. nr. 23.764 ARREST gewezen op het beroep in cassatie van de Directeur van de Dienst der gemeentebelastingen Amsterdam tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 mei 1985 betreffende na te melden aan [X] te [Z] (Spanje) voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Amsterdam. 1. Aanslag en bezwaar. Aan belanghebbende is voor het jaar 1981 wegens het genot krachtens zakelijk recht van het onroerend goed, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q], een aanslag in de onroerend- goedbelastingen van de gemeente Amsterdam opgelegd naar een omgerekende oppervlakte van 381 m2, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Directeur van de Dienst der gemeentebelastingen Amsterdam is gehandhaafd. 2. Verordening. In de gemeente Amsterdam geldt een Verordening onroerend-goedbelastingen, waarvan de voor het onderhavige geding van belang zijnde bepalingen luiden als volgt: Voorwerp van de belastingen; belastbaar feit; belastingplicht. Artikel 1. Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed - met uitzondering van ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond - worden onder de naam onroerend-goedbelasting jaarlijks geheven: a. een directe belasting van degene die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij het begin van het belastingjaar een onroerend goed al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruikt; b. een directe belasting van degene die bij het begin van het belastingjaar van een onroerend goed het genot heeft krachtens zakelijk recht. Grondslag van de belastingen. Artikel 2. 1. De grondslag waarnaar de in artikel 1 bedoelde belastingen worden geheven, is de oppervlakte van het onroerend goed, na toepassing van vermenigvuldigingscijfers voor aard, ligging, kwaliteit en soort van gebruik, zulks ten einde op benaderende wijze rekening te houden met verschillen in waarde in het economische verkeer. 2. Enzovoort. Heffingsgrondslag. Artikel 4. 1. Voor de vaststelling van de heffingsgrondslag wordt de op de voet van artikel 8 gemeten oppervlakte van het onroerende goed vermenigvuldigd met achtereenvolgens de factor voor aard en soort van gebruik en de factoren voor ligging en kwaliteit als in de bij deze verordening behorende tabel zijn toegekend aan de groep van onroerende goederen waartoe dat onroerende goed behoort, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 en de in de tabel gegeven aanwijzingen. 2. Enzovoort. Tijdstip heffingsgrondslag; tijdvak. Artikel 7. 1. De heffingsgrondslag wordt vastgesteld naar de toestand op 1 januari 1981 en vervolgens wederom naar de toestand op een tijdstip dat telkens drie jaren later valt. Indien met betrekking tot een onroerend goed de in artikel 1 bedoelde uitzondering of een in artikel 10 bedoelde vrijstelling niet meer kan worden toegepast voor een belastingjaar waarvan het begin niet samenvalt met een in de eerste volzin bedoeld tijdstip, wordt voor dat onroerende goed alsnog de heffingsgrondslag vastgesteld naar de toestand bij het begin van dat belastingjaar. Een aldus vastgestelde heffingsgrondslag vindt toepassing voor elk belastingjaar - indien en voor zover daarvoor de evenbedoelde uitzondering of vrijstelling niet van toepassing is - vallende in een tijdvak van drie jaren dat aanvangt op het direct aan de vaststelling voorafgaande tijdstip dat ingevolge het bepaalde in de eerste volzin in aanmerking zou zijn genomen voor de vaststelling van de heffingsgrondslag, indien op dat tijdstip die uitzondering of die vrijstelling niet van toepassing was geweest. 2. Enzovoort. 3. Geding voor het Hof. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft als vaststaande aangemerkt: Het onroerende goed [a-straat 1] te [Q] is eigendom van belanghebbende. Het pand werd tot in 1980 verhuurd als kantoorruimte. Kort na de ontruiming in 1980 werd het pand door onbekenden gekraakt. De onbekende krakers hebben zich naderhand verenigd in de "Vereniging [A]". Na het kraken heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. Zij is ook niet overgegaan tot het dagvaarden van de krakers, in beide gevallen omdat de namen van de krakers niet bekend waren. Het pand telde 5 etages: souterrain, beletage, le en 2e etage en zolder. In het souterrain en op de beletage is door de krakers kort na het kraken een centrum voor buurtbewoners ingericht. De andere etages werden bewoond. Ter zitting is door partijen eensluidend verklaard dat het gedeelte dat door het buurtcentrum werd gebruikt kan worden gesteld op 25% van het geheel en dat de factor voor gebruik in verband hiermee niet 2,25 zoals toegepast, doch 1,00 had dienen te zijn. Blijkens een namens de directeur overgelegd schriftelijk huurcontract, hetwelk door belanghebbende en namens de eerder genoemde vereniging is ondertekend, is op 15 september 1981 met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1981 tussen belanghebbende en de "Vereniging [A]" een huurovereenkomst gesloten, waarbij het pand met een looptijd van drie jaren voor f 1.000, -- per maand aan die vereniging werd verhuurd en waarbij belanghebbende zich akkoord verklaarde met onderverhuur van het souterrain en de beletage en geen bezwaar te hebben tegen het aanbrengen van het opschrift "Informatiecentrum […]" op de gevel. De peildatum voor het onderhavige jaar is, anders dan abusievelijk vermeld in het proces-verbaal, 1 januari 1981. Het Hof heeft omtrent het geschil en de standpunten van partijen vermeld: In geschil is, primair, of beoordeeld naar de situatie per 1 januari 1981, aan belanghebbende het genot krachtens zakelijk recht anders dan tijdelijk was ontnomen, zoals belanghebbende stelt en de directeur betwist, en subsidiair de hoogte van het tarief, volgens belanghebbende f 41,90 en volgens de directeur f 44,62. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Kort samengevat is gesteld, namens belanghebbende: primair: Het pand was op de peildatum, 1 januari 1981, gekraakt. Op dat tijdstip was belanghebbende het genot wederrechtelijk ontnomen. Er was op dat tijdstip geen uitzicht dat dit tijdelijk zou zijn. De huurovereenkomst is eerst later onder de druk van de omstandigheden gesloten. Zie HR 10 maart 1982, rolnummer 20.860 BNB 1982/115. De aanslag behoort te worden vernietigd. subsidiair: De factor aard/gebruik moet 1,00 zijn. Dit is niet langer in geschil. Volgens artikel 9, lid 1, van de Verordening bedroeg het tarief f 41,90. en namens de directeur: Belanghebbende staat in het kadaster aangemerkt als genothebbende krachtens zakelijk recht. Indien zij stelt dit niet te zijn moet zij dit, zoals volgt uit het woord "blijkt" in artikel 2, lid 4, Besluit onroerend-goedbelastingen, bewijzen. Met aantonen kan niet worden volstaan. Dat belanghebbende niet tot ontruiming is overgegaan, vloeit voort uit het feit dat het pand verhuurd werd. Zo al sprake is van wederrechtelijke ontneming van het genot, dan was dat niet tijdelijk. Het tarief is bij raadsbesluit van 19 december 1980 (Gemeenteblad 1981, afdeling 3, volgnummer 99) vastgesteld op f 44,62. Vervolgens heeft het Hof omtrent het geschil overwogen: Zoals reeds vermeld, is in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak per abuis 1 januari 1980 als peildatum genoemd. Dit moet zijn 1 januari 1981.
Volledig
Uit het verband met de overige feiten en hetgeen op grond daarvan is overwogen blijkt dat bedoeld abuis op de beslissing niet van invloed is geweest. Ingevolge artikel 1 van de Verordening op de heffing van onroerend-goedbelastingen 1981 van de gemeente Amsterdam wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerend goed onder de naam onroerend-goedbelasting jaarlijks geheven - voor zover hier van belang - een directe belasting van degene die bij het begin van het belastingjaar van een onroerend goed het genot heeft krachtens zakelijk recht. Vaststaat dat belanghebbende op 1 januari 1981 overeenkomstig het kadaster eigenaresse was van het pand. Vaststaat eveneens dat het pand na de ontruiming door de toenmalige huurder in 1980 door toen onbekenden gekraakt is, dat deze onbekenden het pand deels als buurtinformatiecentrum en deels als woonruimte zijn gaan gebruiken en dat deze situatie op 1 januari 1981 nog steeds voortduurde. Tussen belanghebbende en de krakers, de laatsten opererend onder de naam "Vereniging [A]", is op 15 september 1981 een huurcontract gesloten waaruit met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 1981 het pand aan genoemde vereniging werd verhuurd. De namens belanghebbende daarop gegeven toelichting, dat zij deze overeenkomst - toen - slechts is aangegaan omdat zij daartoe door de omstandigheden, in het bijzonder deze dat er geen reële mogelijkheid was het pand ontruimd te krijgen, gedwongen was acht het Hof aannemelijk. Gesteld noch gebleken is dat op het tot stand komen van een huurovereenkomst reeds per 1 januari 1981 uitzicht bestond. Onder deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat het genot krachtens zakelijk recht aan belanghebbende beoordeeld naar de situatie per 1 januari 1981 anders dan van voorbijgaande aard wederrechtelijk ontnomen was. De omstandigheid dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en niet tot dagvaarding van de krakers is overgegaan, leidt, nu het van algemene bekendheid is dat daarvan met name gezien de onbekendheid met de identiteit van de krakers niet op korte termijn te verwachten viel dat belanghebbende in het genot van het pand zou kunnen worden hersteld, niet tot een. ander oordeel. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de aan belanghebbende in de hoedanigheid van genothebbende krachtens zakelijk recht opgelegde aanslag dient te worden vernietigd. Op grond hiervan heeft het Hof de uitspraak en de aanslag vernietigd. 4. Geding in cassatie. De Directeur heeft van de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld, en daarbij de volgende klachten tegen die uitspraak aangevoerd: Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat het Hof heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist, als in zijn uitspraak is omschreven, zulks ten onrechte om de navolgende redenen: t.a.v. de primaire stelling in het beroepschrift dat voor de vraag wie als genothebbende krachtens zakelijk recht moet worden aangemerkt hij, die bij het begin van het belastingjaar als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat op dat tijdstip een ander genothebbende krachtens zakelijk recht was; dat het Hof in zijn uitspraak geheel voorbijgegaan is aan deze regel zoals die is neergelegd in artikel 2, lid 4 Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen; dat toch van de kraker(s) niet kan worden gesproken van het hebben van een genot krachtens zakelijk recht, doch dat hooguit sprake is van alleen het hebben van een feitelijk genot. Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat het Hof heeft geoordeeld dat beoordeeld naar de situatie op 1 januari 1981 het genot krachtens zakelijk recht anders dan van voorbijgaande aard wederrechtelijk was ontnomen; dat toch zoals feitelijk is vastgesteld het pand tot in 1980 verhuurd werd; dat kort na ontruiming van het pand door de huurder het pand gekraakt was; dat kort na het kraken in een deel van het pand een centrum voor buurtbewoners werd ingericht; dat dit laatste met grote letters op of aan de voorzijde van het pand werd kenbaar gemaakt; dat belanghebbende na het kraken heeft nagelaten een proces-verbaal van kraking te doen laten opmaken; dat belanghebbende eveneens heeft nagelaten een of meer krakers en/of het inmiddels gevestigde buurtcentrum te dagvaarden; dat belanghebbende er kennelijk in heeft toegestemd dat een of meer personen het feitelijk genot van het pand zouden hebben; dat hier sprake is van een gedogen en niet gesproken kan worden van het ontnemen van het genot krachtens zakelijk recht. Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, omdat het Hof heeft overwogen en op grond daarvan heeft beslist als in zijn uitspraak is omschreven, zulks ten onrechte om de navolgende redenen: dat het Hof heeft overwogen het feit dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan en niet tot dagvaarding van de krakers is overgegaan niet tot een ander oordeel leidt nu het van algemene bekendheid is dat het genot van het pand zou kunnen worden hersteld; dat het Hof ervan uitgaat dat het doen van aangifte en het dagvaarden in zijn algemeenheid niet tot enig resultaat leidt, ook niet op korte termijn, en dat dit feit van algemene bekendheid zou zijn; dat het Hof dit feit had behoren te onderzoeken omdat het zeer wel voorkomt, ook in Amsterdam, dat een aangifte en dagvaarding zinvol is om tot ontruiming te komen. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 5. Beoordeling van de klachten. 5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 273, eerste lid, aanhef en letter b, van de gemeentewet kan de daar bedoelde onroerend-goedbelasting worden geheven van degenen die van het onroerend goed het genot hebben krachtens een zakelijk recht. Van een genotsrecht in de zin van deze bepaling is geen sprake indien aan een eigenaar van een onroerend goed anders dan voorbijgaand wederrechtelijk de mogelijkheid tot uitoefening van zijn eigendomsrecht is ontnomen. Voor zover het bepaalde in artikel 2, lid 4, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen ertoe kan leiden dat van iemand die niet genothebbende krachtens zakelijk recht in de zin van artikel 273 van de gemeentewet is, onroerend-goedbelasting wordt geheven enkel omdat hij als genothebbende in het kadaster staat ingeschreven, is die bepaling in strijd met de zojuist genoemde bepaling van de gemeentewet en derhalve in zoverre onverbindend. De eerste klacht faalt mitsdien. 5.2. Het Hof heeft vastgesteld dat het onderhavige onroerend goed op de peildatum was gekraakt - waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat met betrekking tot dat onroerend goed aan de eigenaar wederrechtelijk de mogelijkheid tot uitoefening van zijn eigendomsrecht was ontnomen - en dat op die datum nog geen uitzicht bestond op het - al dan niet gedwongen - tot stand komen van een huurovereenkomst met de krakers. Door op grond van die omstandigheden te oordelen dat, beoordeeld naar de situatie per 1 januari 1981, het genot krachtens zakelijk recht aan belanghebbende anders dan voorbijgaand wederrechtelijk was ontnomen, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel voor het overige berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen en in zoverre derhalve in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht. Gelet op hetgeen de Directeur blijkens 's Hofs uitspraak en de gedingstukken op dit punt had aangevoerd, behoefde het Hof ook niet een nader onderzoek in te stellen naar de vraag of in het onderwerpelijke geval aangifte van het kraken en dagvaarding van de krakers tot ontruiming zinvol zou zijn geweest. Uit het vorenstaande volgt dat ook de tweede en de derde klacht falen. 6. Beslissing. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Aldus gewezen door mrs. Van Dijk, vice-president, Van Vucht, Stoffer, Verburgh en Baardman, raden. Uitgesproken door de vice-president voornoemd ter raadkamer van 4 juni 1986, in tegenwoordigheid van de waarnemend-griffier mr. Ten Bokkel.