Rechtspraak Hoge Raad 1986-07-01
ECLI:NL:HR:1986:AD7438
1 juli 1986 Strafkamer Nr. 80.542 U JHO Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 25 maart 1986 omtrent het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot uitlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] (Noord-Ierland) op [geboortedatum] 1953, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Maastricht, alsmede tot afgifte van inbeslaggenomen goederen. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ontoelaatbaar verklaard, met afwijzing van het verzoek tot overgave van de onder [de opgeëiste persoon] inbeslaggenomen goederen. 2. Het cassatieberoep 2.1. Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam. Deze heeft de volgende middelen van cassatie voorgesteld: I. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 13 van het tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk van kracht zijnde Uitleveringsverdrag van 26 september 1898 (verder te noemen het Verdrag) en van artikel 5 van de Uitleveringswet en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat de rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard voor zover deze is verzocht ter zake van de feiten genoemd onder 1 en 2 vermeld in het Certificate of conviction met betrekking tot de veroordeling van de opgeëiste persoon door the Crown Court at Winchester op 15 november 1973 (pag. 5 en 6 van de uitspraak). Toelichting De rechtbank heeft ten aanzien van dit vonnis overwogen: ‘’De rechtbank is van oordeel dat de uitlevering ter zake van de feiten vermeld in voornoemd vonnis niet kan worden toegestaan; weliswaar is voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 2 laatste zinsnede van het toepasselijke Verdrag, aangezien ten tijde van het uitleveringsverzoek de feiten zowel naar Nederlands als naar Brits recht voor uitlevering vatbaar waren, doch, nu op het tijdstip van de veroordeling, te weten 15 november 1973, de uitlevering voor deze feiten naar Brits recht niet kon worden toegestaan — immers was zulks blijkens de hiervoor onder 2.a vermelde nota eerst in 1978 mogelijk — is wegens het reciprociteitsvereiste vervat in artikel 2 laatste zinsnede aan het gestelde in artikel 13 eerste zin laatste zinsnede van het toepasselijke Verdrag, niet voldaan’’. De rechtbank verbindt ten onrechte aan het toestaan door de aangezochte staat als bedoeld in de voorlaatste zin van artikel 13 van het verdrag de eis van reciprociteit die is genoemd in artikel 2 laatste volzin van het verdrag. Artikel 2 van het verdrag en zeker de laatste volzin is geschreven voor uitleveringsverzoeken in concreto. In artikel 13 wordt de eis gesteld ‘’dat het misdrijf, ter zake waarvan hij is veroordeeld, behoort tot de zodanige, waarvoor op het tijdstip van die veroordeling, uitlevering had kunnen worden toegestaan door den Staat aan welken de uitlevering is aangevraagd’’. Het misdrijf moet dus behoren tot ‘’de zodanige’’ waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. Het verdrag heeft hier kennelijk het oog op een categorie van delicten. Mitsdien wordt hier niet de eis gesteld dat voor een misdrijf in concreto de uitlevering kan worden toegestaan (er had dan moeten staan ‘’en dat voor het misdrijf, ter zake waarvan hij is veroordeeld op het tijdstip van die veroordeling uitlevering had kunnen worden toegestaan etc’’.) maar of in abstracto voor deze categorie van misdrijven, ‘’de zodanige’’, de uitlevering had kunnen worden toegestaan. Dit laatste was wel degelijk het geval. Op 15 november 1973 kon Nederland — in abstracto — op grond van het bepaalde in artikel 5 van de Uitleveringswet de uitlevering toestaan voor het veroorzaken van een ontploffing indien gemeen gevaar voor goederen en/of levens Dat zulks bovendien gebeurd is met voorbedachte rade, volgt uit de combinatie van de verklaring van de opgeëiste persoon (pag. 18 bovenaan van het proces-verbaal): ‘’De ontsnapping uit de Maze-gevangenis was een militaire operatie, waarbij een grote mate van discipline en precisie betracht diende te worden. Er was een order uitgevaardigd, dat er geen geweld mocht worden gebruikt tegen bewakers, tenzij het nodig zou zijn ter bescherming van de vrijwilligers’’ met het eerder geciteerde gedeelte van zijn verklaring dat het tegen [betrokkene 1] gebruikte geweld, ook indien het dodelijk zou zijn, gerechtvaardigd was. Als verdere bewijsstukken dat het doden van bewaarders door de gevangenen bij de ontsnapping van te voren uitvoerig was overwogen zijn door de verzoekende Staat overgelegd de plannen, pamfletten en/of proclamaties gevonden tijdens en na de ontsnapping, waarvan fotocopie met transscriptie aanwezig zijn op pagina’s 275 tot en met 282 van het uitleveringsverzoek. Het vorenstaande zou een verwijzing naar de terechtzitting van de opgeëiste persoon ter zake van het feit genoemd in de Warrant for arrest nummer 22 rechtvaardigen. IV. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van artikel 11 lid 1 van de uitleveringswet en/of artikel 6 van het verdrag en/of verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat de rechtbank ten onrechte als politiek doeleind heeft aanvaard: ‘’de bescherming van het nationalistisch deel van de bevolking tegen de aanslagen van de zijde der zogenaamde loyalisten, die zich tegen die eenwording verzetten’’ (pag. 13 van de uitspraak) en vervolgens (mede) dit politieke doeleind gebruikt bij het beoordelen van het politieke karakter van de strafbare feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Toelichting Een ieder is gerechtigd tot de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Dit beginsel is voor het Nederlands recht vastgelegd in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. De hierboven genoemde bescherming is geen politiek doeleind maar een beginsel dat in een rechtsstaat erkenning vindt en voor de handhaving van welk beginsel in iedere rechtsstaat mogelijkheden openstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het Verenigd Koninkrijk een rechtsstaat is. De Rechtbank mag zonder nader onderzoek en zonder nadere motivering die bescherming niet als politiek doeleind definiëren omdat zij daarmee aangeeft dat het Verenigd Koninkrijk te kort schiet in het aan haar burgers bieden van de mogelijkheden tot handhaving van die rechtmatige verdediging en daarmee dus te kort schiet als rechtsstaat. V. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van de artikelen 11 lid 1 en 28 lid 1 van de Uitleveringswet en artikel 6 van het verdrag en/of verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat de rechtbank de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar heeft verklaard voor zover deze is verzocht ter zake van de feiten vermeld in de Warrants for arrest GC 23 tot en met GC 34 en GC 36 omdat deze feiten als delicten van politieke aard moeten worden beschouwd (pag. 15 van de uitspraak). Toelichting De betreffende feiten behoren naar Nederlands recht niet tot de feiten genoemd in artikelen 92 tot en met 130 van het Wetboek van Strafrecht, de zogenaamde absoluut politieke delicten. Het zijn ‘’commune’’ delicten die door de omstandigheden waaronder en de motieven waarmee zij zijn gepleegd soms met de absoluut politieke delicten op één lijn kunnen worden gesteld. Een van de voorwaarden die echter daarvoor aan dergelijke relatief politieke delicten wordt gesteld is dat het delict ‘’in de redelijke voorstelling van de dader rechtstreeks tot het beoogde politieke einddoel kon leiden’’ (HR 8-5-1978, NJ 1978-315 inzake Wackernagel en HR 28-2-1984, NJ 1984-497). Dit criterium is aanmerkelijk enger dan het criterium dat door de rechtbank is aa De rechtbank heeft nagelaten te onderzoeken of de strafbare feiten zelf, waarvoor de uitlevering is gevraagd, in het redelijk oordeel van de opgeëiste persoon konden leiden tot enig rechtstreeks op de politieke doeleinden betrokken resultaat en hierdoor komt het oordeel van de rechtbank dat deze delicten als politiek delict kunnen worden aangemerkt in de lucht te hangen. VII. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van de artikelen 11 lid 1 en 28 lid 1 van de uitleveringswet en artikel 6 van het verdrag en/of verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat de rechtbank niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet gezegd kan worden dat de gepaste middelen tot het nagestreefde doel in onevenredige verhouding stonden (pag. 14 van de uitspraak). Toelichting Bij de ontsnapping uit de Maze-gevangenis is een gevangenisbewaker om het leven gekomen terwijl een andere bewaker door het hoofd werd geschoten. De rechtbank overweegt dat geen onbeheerst gebruik van geweld is gemaakt en derhalve niet gezegd kan worden dat de toegepaste middelen tot het nagestreefde doel in onevenredige verhouding stonden. Deze overweging is onbegrijpelijk. De verhouding tussen doel en geweld is afhankelijk van de mate van het geweld en niet van de beheerste of onbeheerste wijze van toepassing daarvan. Een overmaat van geweld staat in onevenredige verhouding tot het politieke doeleind of het nu beheerst of onbeheerst wordt toegepast. Het geweld dat zich heeft gemanifesteerd (één dode, één zwaargewonde, meerdere gewonden en wederrechtelijke vrijheidsberoving van een groot aantal personen onder bedreiging met de dood) rechtvaardigt niet het resultaat dat dit geweld concreet heeft opgeleverd: de (tijdelijke) vrijheid van een aantal, zeker geen belangrijk aantal, nationalisten. Het geweld waartoe de opgeëiste persoon tezamen met zijn mededaders bereid is gebleken blijkens de tijdens en na de ontsnapping gevonden plannen, pamfletten en/of proclamaties (fotocopieën en transscripties bevinden zich op pagina’s 275 tot en met 282 van het uitleveringsverzoek) wordt niet gerechtvaardigd door zelfs het meest complete resultaat dat de opgeëiste persoon daarvan in redelijkheid had mogen verwachten. Ook wanneer de verhouding tussen toegepast geweld en resultaat derhalve niet wordt beoordeeld aan de hand van het gemanifesteerde geweld en het concrete resultaat maar aan de hand van het geweld waartoe de opgeëiste persoon (en zijn mededaders) bereid zijn gebleken bij het realiseren van hun doelen, afgezet tegen het redelijkerwijs daarvan te verwachten resultaat, kan het geweld slechts als disproportioneel worden gekenschetst. VIII. Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, meer in het bijzonder van de artikelen 11 lid 1 en 18 lid 1 van de Uitleveringswet en artikel 6 van het verdrag en/of verzuim van vormen, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt, doordat uit de uitspraak van de rechtbank niet blijkt dat voor de opgeëiste persoon geen andere, minder verstrekkende middelen open stonden bij het bereiken van zijn politieke doeleinden dan de strafbare feiten, waarvoor de uitlevering is gevraagd. Toelichting De toevlucht tot strafbare feiten, zeker tot gewelddadige strafbare feiten, is eerst dan excusabel indien blijkt dat voldaan is behalve aan de eis van proportionaliteit (waarvoor middel VII handelt) aan de eis van subsidiariteit: stonden aan de opgeëiste persoon in redelijkheid geen andere, minder verstrekkende, middelen meer open? Het Verenigd Koninkrijk is een parlementaire democratie. In het parlement is ook het katholieke en/of Ierse volksdeel van Noord-Ierland vertegenwoordigd. Er is dus een politiek forum waar op geweldloze, niet strafbare manier de politieke doeleinden van dat volksdeel kunnen worden gerealiseerd. Uit de uitspraak blijkt niet dat onderzocht is waarom de politieke doeleinden van de opgeëiste persoon niet langs deze of wellicht nog andere weg gerealiseerd hadden k Het Verenigd Koninkrijk heeft voorts de uitlevering van [de opgeëiste persoon] verzocht ter zake van de strafvervolging van de — in de bij het uitleveringsverzoek gevoegde zeventien bevelen tot aanhouding, alle gedateerd 26 januari 1986 en afgegeven door de Resident Magistrate in the Petty Sessions District of Lisburn in the County Court Division of Ards (Noord-Ierland), genummerd GC/21 tot en met GC/37 — aldus omschreven feiten: ‘’that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Devision of Ards murdered [betrokkene 3] ; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, attempted to murder [betrokkene 1] ; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, unlawfully and maliciously caused grievous bodily harm to [betrokkene 1] , with intent to do him grievous bodily harm, or with intent to resist or prevent the lawful apprehension or detainer of yourself or any other person; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, unlawfully and maliciously wounded [betrokkene 3] with intent to do him grievous bodily harm, or with intent to resist or prevent the lawful apprehension or detainer of yourself or any other person; that the Defendant [de opgeëiste persoon] onf the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, unlawfully and maliciously wounded [betrokkene 4] , with intent to do him grievous bodily harm, or with intent to resist or prevent the lawful apprehension or detainer of yourself or any other person; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Dourt Division of Ards, unlawfully and maliciously wounded [betrokkene 5] with intent to do him grievous bodily harm, or with intent to resist or prevent the lawful apprehension or detainer of yourself or any other person; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, unlawfully and maliciously wounded [betrokkene 6] with intent to do him grievous bodily harm, or with intent to resist or prevent the lawful apprehension or detainer of yourself or any other person; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, assaulted [betrokkene 4] and unlawfully and injuriously imprisoned the said [betrokkene 4] and detained him against his will in a building known as the Tally Lodge at Her Majesty's Prison, Maze; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, assaulted [betrokkene 7] and unlawfully and injuriously imprisoned the said [betrokkene 7] and detained him against his will in a building known as the Tally Lodge at Her Majesty's Prison, Maze: that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, assaulted [betrokkene 8] and unlawfully and injuriously imprisoned the said [betrokkene 8] and detained him against his will in a building known as the Tally Lodge at Her Majesty's Prison, Maze; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, assaulted [betrokkene 9] and unlawfully and injuriously imprisoned the said [betrokkene 9] and detained him against his will in a building known as the Tally Lodge at Her Majesty's Prison, Maze; that the Defendant [de opgeëiste persoon] on the 25th day of September 1983, at Maze, in the County Court Division of Ards, assaulted [betrokkene 10] and unlawfully and injuriously imprisoned the said [betrokkene 10] and detained him against his will in a Bedford Lorry, registration number XOI 8414, and elsewhere; that the Defendant In het licht toch van een briefwisseling tussen de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden en van het Verenigd Koninkrijk gepubliceerd in de Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, zitting 1898–1899, pagina’s 36, 37, 38 en 39, bij de behandeling van de Staatsbegroting voor het dienstjaar 1899 moet worden aangenomen dat Nederland van zodanige gelijkstelling niet heeft willen weten. 6.4. Het middel faalt mitsdien. 7. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het vierde t/m het achtste middel en ambtshalve 7.1. De Rechtbank heeft met betrekking tot een namens [de opgeëiste persoon] gevoerd verweer overwogen: Namens de opgeëiste persoon is betoogd dat alle feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht als politieke delicten dienen te worden beschouwd: Dit verweer dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6 van het toepasselijk verdrag, luidende: ‘’Een voortvluchtige misdadiger zal niet uitgeleverd worden, indien het strafbaar feit, ter zake waarvan zijne uitlevering wordt gevraagd, een staatkundig karakter draagt, of indien hij het bewijs levert, dat de aanvrage om zijne uitlevering opzettelijk is gedaan met de bedoeling om hem ter zake van een strafbaar feit van staatkundigen aard te vervolgen of te straffen’’; Gelet op de Engelse tekst van deze bepaling waarin sprake is van ‘’an offence of a political character’’ en mede gelet op artikel 11 van de Uitleveringswet en de Memorie van Toelichting daarop, dienen onder ‘’strafbare feiten van staatkundige aard’’ niet alleen de staatkundige delicten in engere zin te worden begrepen, doch tevens delicten met een overwegend politiek karakter. 7.2. Indien uitlevering wordt verzocht ter zake van feiten, ten aanzien waarvan namens de opgeëiste persoon wordt gesteld dat het om strafbare feiten van politieke aard gaat, komt het de rechter die over de toelaatbaarheid moet oordelen in het algemeen niet toe te beslissen over de vraag of deze feiten naar het recht van de verzoekende staat op grond van hun hierbedoelde aard wel tot uitlevering aanleiding kunnen geven; in deze gevallen moet immers in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat uitlevering slechts zal vragen ter zake van feiten die in overeenstemming met het betrokken Verdrag mogelijkheid tot uitlevering bieden. 7.3.1. Ten tijde van het sluiten van genoemd Verdrag was van kracht de Wet van 6 april 1875, tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten (Stb. 66), waarvan het tweede lid van art. 1 luidde: ‘’Ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen worden geene nieuwe verdragen gesloten of bestaande vernieuwd, dan met inachtneming van de bepalingen dezer wet’’. 7.3.2. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat aan het begrip ‘’staatkundig karakter’’ in art. VI van genoemd Verdrag dezelfde betekenis dient te worden gehecht als die, welke de wetgever van 1875 voor ogen stond. 7.4.1. Artikel 2 van het oorspronkelijk Ontwerp van wet luidde als volgt: ‘’Vreemdelingen worden niet uitgeleverd dan ter zake van misdrijven in de verdragen met name aangewezen. Uitlevering kan niet toegezegd worden dan ter zake van zoodanige buiten het Rijk gepleegde misdrijven, die ook hier te lande met straf zijn bedreigd, en waarvoor hier te lande, volgens het Wetboek van Strafvordering, voorloopige aanhouding is toegelaten. Geene uitlevering kan toegestaan of gevraagd worden wegens staatkundige misdrijven’’. 7.4.2. In het Verslag van de Commissie van Rapporteurs (Bijl. Hand. II, zitting 1873–1874, 117, N°. 5, p. 5) werd bezwaar gemaakt tegen de redactie van dit artikel, o.m. op grond van het volgende argument: ‘’Door de optelling der misdrijven in de wet van 1849 voorkwam men de moeilijkheid van te bepalen wat zuiver staatkundige misdrijven zijn. Deze moeilijkheid weegt thans, vijf-en-twintig jaren later, nog zwaarder, omdat sedert nog duidelijker aan het licht gekomen is, hoe dezelfde feiten,