Rechtspraak Hoge Raad 1986-04-22
ECLI:NL:HR:1986:AC9318
22 april 1986 Strafkamer nr. 79.612 JM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 juni 1985 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1934, wonende te [plaats] . 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 21 april 1983 -, de verdachte ter zake van "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. T. van Angeren, advocaat te 's-Gravenhage, de navolgende middelen van cassatie voorgesteld: 1. Schending of verkeerde toepassing van het recht en/of niet in acht nemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder schending van het bepaalde in artikel 261, 348, 349 lid 1, 358, 359, 415 Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof verzuimd heeft een beslissing te geven op het namers rekwirant nadrukkelijk voorgedragen verweer, dat de dagvaarding onvoldoende feitelijke omschrijving geeft en niet voldoet aan de eisen die artikel 261 SV stelt, en verzuimd heeft de inleidende dagvaarding wegens onvoldoende feitelijke omschrijving nietig te verklaren. Toelichting: Zoals blijkt uit pag. 9 van de in het proces-verbaal geïnsereerde pleitnotitie, is ter zitting opgeworpen dat de ten laste legging voor wat betreft het primair sub1 a en 1 b ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrifte, te kort schiet, te onduidelijk is en niet voldoet aan de eisen die art. 261 SV stelt. De dagvaarding omschrijft de vervalsingshandeling, die verzoeker zou hebben gepleegd in de twee met name genoemde gevallen, maar laat geheel in het midden wie zijn mededaders geweest zouden zijn, wat hun aandeel is geweest, welke handelingen door hen zijn verricht, waaruit de bewuste en nauwe samenwerking heeft bestaan, waaruit het bedoelde gebruik van het geschrift heeft bestaan. Zoals in de pleitnotitie uiteengezet, waren er kennelijk zelfs verschillende groepen van daders, en werd er op verschillende manieren gefraudeerd, is in andere zaken van potentiële mededaders gebleken dat paraferingen op offertes geheel niet noodzakelijk waren, zijn in sommige zaken de parafen van verzoeker door derden geplaatst, terwijl de veronderstelde samenwerking mede impliceerde het vervalsen van aanvraagformulieren. Het Hof had de juistheid van dit verweer, beroep op de ongeldigheid van de dagvaarding, en het niet voldoen aan de daaraan . in art. 261 SV op straffe van nietigheid gestelde eisen, moeten onderzoeken en beoordelen, en tot nietigverklaring van de dagvaarding moeten besluiten. Il. Schending of verkeerde, toepassing van het recht en/of niet in achtnemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder schending van het bepaalde in artikel 350, 359, 415 van het Wetboek van Strafvordering, doordat uit de gebezigde bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde niet kan worden afgeleid, met name niet dat verzoeker in vereniging met anderen opzettelijk valselijk een offerte heeft opgemaakt, met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, en valselijk in de kantlijn van deze offerte een tekst heeft geplaatst, wetende dat de reparatiewerkzaamheden niet zouden worden verricht, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan. De bewezenverklaring is mitsdien niet voldoende met redenen omkleed. Toelichting: Blijkens het sub 1 onder a en b ten laste gelegde, door het Hof bewezenverklaard, met vrijspraak op onderdelen, tegen welke vrijspraak op onderdelen geen middelen zullen worden voorgesteld, wordt het medeplegen van valsheid in geschrifte gezien in twee "valsheidshandelingen", het opmaken van een offerte, door een ander, een mededader, terwijl de aan verzoeker toegerekende uitvoeringshandeling best Toelichting: Zowel ten aanzien van het sub 1 a en sub 1 b ten laste gelegde geldt, dat de samensteller van de tenlastelegging heeft gekozen voor twee konkrete gevallen, waarin wordt ten laste gelegd dat in strijd met de waarheid offertes zijn opgemaakt en door verzoeker in strijd met de waarheid konstateringen zijn gedaan, welke (medeplegen) van valsheid in geschrifte opleveren. Essentiëel is hierin, dat blijkt dat de gedane konstateringen in strijd met de waarheid zijn, zodat in de ten laste legging telkens is opgenomen "dat toen of kort tevoren geen lekkages aan die woonwagen was gekonstateerd". Dit element van de tenlastelegging, heeft de grondslag gevormd van het onderzoek ter terechtzitting en van het nadere onderzoek - na verwijzing - van de Rechter-Commissaris, zodat bij vrijspraak op dit onderdeel, als onmisbaar bestanddeel te beschouwen, vrijspraak van het gehele sub 1 a en 1 b ten laste gelegde had moeten volgen. Door het Hof wordt eerder niet gemotiveerd waarom zij enerzijds bewezen acht dat verzoeker valselijk heeft gemeld "lekkages gekonstateerd", terwijl anderzijds wordt vrijgesproken ten aanzien van het element dat géén lekkages gekonstateerd zijn. IV. Schending of verkeerde toepassing van het recht en/of niet in acht nemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder schending van het bepaalde in art. 350, 358, 359, 423, Wetboek van Strafvordering, doordat het Hof ten aanzien van het sub 1 a en 1 b bewezen heeft verklaard "immers heeft één mededader", terwijl de ten laste legging vermeldt "zijn mededader", waarmee het Hof de grondslag van de ten laste legging heeft verlaten. Toelichting: De inleidende dagvaarding geeft (blz.1 sub 1 a, regel 19 en 20, en blz. 2 regel 22) de keuzemogelijkheid dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een valse beschrijving van de noodzakelijke reparaties hebben gegeven. Nu verzoeker zelf is vrijgesproken van het plaatsen van de bewuste tekst, alsook niet bewezen is verklaard dat mededaders deze tekst hebben geplaatst, resteert slechts "zijn" medeader, hetgeen de verplichting geeft te bewijzen wie die "zijn" mededader is, alsook brengt dit met zich mee dat het hier een medeplegen van valsheid in geschrifte door slechts twee daders betreft. Het Hof had deze problemen niet mogen omzeilen door vervanging van het woordje "zijn" door "één", althans nader moeten motiveren waarom verzoeker door deze vervanging niet geacht wordt in zijn verdediging te zijn geschaad. V. Schending of verkeerde toepassing van het recht en/of niet in acht nemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, in het bijzonder de art. 225, Wetboek van Strafrecht, jo. 350, 358, 415 Wetboek van Strafvordering, door dat het Hof het sub 1 a en sub 1 b primair ten laste gelegde heeft bewezen verklaard en heeft geacht te zijn strafbare feiten, met name het strafbare feit als bedoeld in art. 225 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de in de ten laste legging bedoelde offertes niet kunnen worden aangemerkt als zijnde geschriften opgemaakt om tot bewijs van enig feit te dienen, als bedoeld in art. 225 Wetboek van Strafrecht. Toelichting: Onder een "geschrift", bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, vallen geschriften, waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis, voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Een offerte houdt niet veel meer in, dan een aanbod aan een potentiële opdrachtgever, om bepaalde werkzaamheden voor een bepaalde prijs te verrichten, doet verder ook geen enkel recht ontstaan, en heeft geen enkele bewijsfunktie. Hieraan doet niet af, dat deze offertes opschriften dragen als "rekening" of "prijsopgave, tevens nota", nu bedoelde offertes in een later stadium, na voltooiing van de reparaties tevens als nota werden gebruikt. Verzoeker is slechts bij de zaak betrokken geweest, terzake van het verifiëren van offertes, hetgeen ook blijkt uit de kanttekeningen "kontrole tijdens werkzaamheden", welke kontrole, zoals uit de stukken moge blijken ), en heeft hij, verdachte, toen en daar met dat oogmerk opzettelijk valselijk in de kantlijn :" de tekst geplaatst: "ernstige lekkages, prijs reeël te noemen, controle tijdens werkzaamheden", en onder die tekst zijn, verdachte's handtekening geplaatst, zulks terwijl in werkelijkheid, naar hij, verdachte, en zijn mededaders wisten, voornoemde reparatiewerkzaamheden aan die woonwagen in het geheel niet zouden worden worden verricht, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan" . 4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: "1. de verklaring van verdachte ter terechtzitting: "Ik ben als ambtenaar werkzaam bij de afdeling bouw- en woningtoezicht van de [plaats] . Het is mijn taak toezicht te houden op het repareren van woonwagens, waarvoor door de Gemeentelijke-Sociale Dienst te [plaats] een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet werd verleend, en offertes, die in verband met die reparaties door een woonwagenreparateur bij de GSD werden ingediend, van een advies te voorzien. In de periode van 1 november 1980 tot en met 31 januari 1981 heb ik op een offerte/rekening van " [A] ", waarop als opdrachtgever stond vermeld [getuige 1] , in de kantlijn een positief advies geplaatst met daaronder mijn paraaf. In diezelfde periode heb ik op een offerte van [A] waarop als opdrachtgever stond vermeld: [getuige 2] , [b-straat 1] , [plaats] , in de kantlijn eveneens een positief advies geplaatst, met daaronder mijn handtekening". 2. een gewaarmerkte fotokopie van een proces-verbaal van verhoor van getuigen d.d. 2 februari 1983, opgemaakt door [verbalisant] , rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, voorzover inhoudend, zakelijk weergegeven, als op die datum tegen genoemde rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] : "Ik blijf bij mijn verklaring, die ik op 24 december 1982 bij U heb afgelegd. Ik verzoek U de inhoud hiervan als hier ingelast te beschouwen, door deze verklaring aan het proces-verbaal te hechten". 3. een gewaarmerkte fotokopie van een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 december 1982, opgemaakt door voornoemde rechter- commissaris, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven, als op die datum tegenover haar afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] : Ik ben maatschappelijk werker bij de Gemeentelijke Sociale Dienst te [plaats] . Ik ben werkzaam op de afdeling Woonwagens aldaar. Op dat bureau werken met mij nog drie andere maatschappelijk werkers, alsmede twee administratieve krachten; één van deze twee is [medeverdachte 3] . Wij behandelen onder meer verzoeken om vergoeding i.v.m. reparatiewerkzaamheden aan woonwagens. Voor een dergelijk verzoek moet een aanvraagformulier worden ingevuld. Hierbij wordt (later) een offerte gevoegd van een zgn. woonwagenbouwer. Normaliter gaan deze aanvragen met offerte naar de Afdeling Bouw- en Woningtoezicht waar daarop wordt geadviseerd. Daarna komt de offerte weer terug op onze afdeling. Een van ons, maatschappelijk werkers, handelt deze zaak af waarna de zaak wordt doorgestuurd naar de afdeling Beslissingen, van wie het fiat nodig is alvorens tot uitkering (aan de woonwagenbouwers) wordt overgegaan. In 1980 ben ik met genoemde [medeverdachte 3] meegegaan naar een bespreking met [medeverdachte 1] , directeur van [A] . Op onze bespreking was ook aanwezig [verdachte] , ambtenaar hij Bouw- en Woningtoezicht. We hebben toen afgesproken dat [medeverdachte 1] offertes zou maken op naam van woonwagenbewoners, die hij hiervoor zou uitzoeken, dat [verdachte] zonder enige controle een advies op deze offertes zou maken en dat [medeverdachte 3] en ik voor de administratieve verwerking van de desbetreffende reparatiebijstandaanvragen, waarvoor de hiervoor genoemde offertes zouden worden gebruikt, zouden zorgdragen. De uitkeringen voor de reparatiewerkzaamheden zouden via bank of giro aan [medeverdachte 1] worden gedaan, waarna we het uit te keren bedrag onder ons zouden verdelen. Ik kan mij nu na bijna tw januari 1981, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 1980 tot en met 31 januari 1981, terwijl hij, verdachte, toen als ambtenaar werkzaam was bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van [plaats] en als zodanig was belast met althans gemachtigd tot het houden van toezicht op reparaties van woonwagens, waarvoor door de gemeentlijke Sociale Dienst te [plaats] een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet werd verleend, en/of (in het bijzonder) het van een advies voorzien van de in verband met die reparaties door een woonwagenreparateur bij die Dienst ingediende offertes en/of rekeningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een offerte, althans een rekening, in ieder geval een geschrift, waarop als briefhoofd stond gedrukt: " [A] " en waarop als opdrachtgever, althans als naam, stond vermeld: [getuige 1] , [a-straat] , [plaats] , zijnde een geschrift waaruit enig recht kan ontstaan en/of dat is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar met dat oogmerk opzettelijk valselijk en/ of bedrieglijk op dat geschrift vermeld te verrichten en/of verrichte reparatiewerkzaamheden aan een woonwagen tot een totaalbedrag van f 8761,- (inclusief B.T.W.), en/of heeft hij, verdachte, toen en daar met dat oogmerk opzettelijk valselijk en/of bedriegelijk in de kantlijn de tekst geplaatst: "20-1-81 lekkages geconstateerd. prijs niet overtrokken controle tijdens werkzaamheden", en/of onder die tekst zijn, verdacht's, paraaf geplaatst, zulks terwijl in werkelijkheid, naar hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) voornoemde reparatiewerkzaamheden aan die woonwagen in het geheel niet zouden worden verricht, althans niet waren verricht, en/of toen of korte tevoren geen lekkage aan die woonwagen was geconstateerd, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan; hij, verdachte, heeft als ambtenaar als voormeld door het begaan van vorenomschreven misdrijf een bijzondere ambtsplicht geschonden, door voormeld vals of vervalst geschrift terzake van een gefingeerde reparatie aan een woonwagen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, op te maken, althans door dat geschrift in de kantlijn van voormelde tekst en/of paraaf te voorzien; 1.b. dat hij te [plaats] , in ieder geval in Nederland, op of omstreeks 9 januari 1981, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 1980 tot en met 31 januari 1981, terwijl hij, verdachte, toen als ambtenaar werkzaam was bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van [plaats] en als zodanig. was. belast met, althans gemachtigd tot het houden van toezicht op reparaties van woonwagens, waarvoor door de gemeentelijke Sociale Dienst te [plaats] een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet werd verleend en/of (in het bijzonder) het van een advies voorzien/ de in verband met die reparaties door een woonwagenreparateur bij die Dienst ingediende offertes en/of rekeningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk een offerte, althans een rekening, in ieder geval een geschrift, waarop als briefhoofd stond gedrukt: " [A] ", en waarop als opdrachtgever, althans als naam stond vermeld: [getuige 2] , [b-straat 1] , [plaats] , zijnde een geschrift waaruit enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers hebben/heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar met dat oogmerk opzettelijk valselijk en/of bedrieglijk op dat geschrift vermeld te verrichten en/of verrichte reparatiewerkzaamheden aan een woonwagen tot een totaalbedrag van f 9044,70 (inclusief B.T.W.), en/of heeft hij, verdachte, toen en d