Rechtspraak Hoge Raad 1985-04-02
ECLI:NL:HR:1985:AB7967
Bij vervroeging 2 april 1985 Strafkamer Nr. 78.075 ed Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 18 juni 1984 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 16 mei 1984 — de verdachte ter zake van a. ‘’de overtreding van het bepaalde bij artikel 4, paragraaf 3 onder d van het Algemeen Reglement Vervoer door anderen dan de in de artikelen 53 en 56 van de Spoorwegwet genoemden’’ en b. ‘’de overtreding van het bepaalde bij artikel 7, paragraaf 2 van het Algemeen Reglement Vervoer door anderen dan de in de artikelen 53 en 56 van de Spoorwegnet genoemden’’ veroordeeld tot twee geldboetes van elk vijfentwintig gulden subsidiair telkens een dag hechtenis. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam, de volgende middelen van cassatie voorgesteld: Verzuim van vormen, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending van het recht op grond van het navolgende. I. Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rb. het verweer dat de aanhouding in strijd is geweest met artikel 53 lid 3 Wetboek van Strafvordering verworpen. Hierdoor is o.a. dit artikel geschonden. Toelichting: artikel 53 lid 3 WvSv dient ter bescherming van de belangen van de verdachte. De voorgeleiding voor een hogere politie-ambtenaar (Hulpofficier c.q. Officier van Justitie) is een kontrolemoment. Het artikel brengt met zich mee dat ter bescherming van genoemde belangen, het kontrolemoment zo vroeg mogelijk moet plaatsvinden en voordat strafprocesrechtelijke handelingen uitgevoerd zijn. Dit wil zeggen dat voorgeleiding voor de Hulpofficier zo snel mogelijk moet plaatsvinden, maar ook dat daarvoor geen verhoor mag plaatsvinden. De wijze waarop aanhouding in casu is verlopen laat zien dat de voorgeleiding achteraf slechts een formaliteit is geweest zonder materiele betekenis, het verhoor had al plaatsgevonden en het proces-verbaal was feitelijk afgesloten. Verwezen wordt naar Duisterwinkel-Melai artikel 53 aantekening 4 ‘’in de voorgeleiding schuilt immers ook de mogelijkheid van controle op de rechtmatigheid en aanvaardbaarheid van de voorafgaande aanhouding’’. II. Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank verworpen het verweer dat de term ‘’onbehoorlijk gedrag’’ als voorkomend in artikel 4 ARV te vaag zou zijn. Hierdoor zijn o.a. geschonden artikel 1 WvSr en artikel 7 ECRM. Toelichting: De motivering van de Rechtbank is niet inhoudelijk en gaat niet in op de inhoudelijke eisen als geformuleerd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in haar uitspraak van 26 april 1979. Volgens deze geformuleerde eisen is de term onbehoorlijk gedrag zo vaag dat de burger onvoldoende kan inzien welk gedrag conform deze term van hem gevraagd wordt. De vage term laat teveel ruimte over voor interpretatie. III. Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank het verweer dat artikel 4 van het ARV onverbindend is, danwel buiten toepassing moet worden gelaten verworpen. Hierdoor zijn o.a. geschonden de artikelen 350, 358 en 359 WvSv. Toelichting: Gedragingen in een restauratie, gelegen bij een station, staan te ver af van ‘’de uitoefening der spoorwegdienst’’. Een dergelijke restauratie is een zelfstandig restaurant, als ieder ander restaurant. Veel bezoekers zijn niet-treinreizigers. De restauratie heeft een besloten karakter, er geldt een consumptieplicht. Verwezen wordt naar Remmelink, aantekening 18 op artikel 138 WvSr. Gedragingen in een dergelijke restauratie staan te ver af van de veilige en behoorlijke uitoefening der spoorwegdienst. IV. Ten onrechte heeft de Rechtbank aangenomen dat de restauratie, gelegen aan perron 1, deel uitmaakt van e Ik zag dat enkele reizigers, die in de onmiddellijke omgeving van de vrouwen zaten, zich kennelijk aan het gedrag van de vrouwen ergerden, daar ik hen afkeurend over de vrouwen hoorde spreken. Ik heb beide vrouwen hierop medegedeeld dat zij door hun onbehoorlijk gedrag schuldig maakten aan een overtreding en verzocht hen de restauratie te verlaten. Zij voldeden niet aan dit verzoek. Hierop heb ik hen, in verband met de orde, rust en ter verzekering van een goede bedrijfsgang, ingevolge artikel 7 paragraaf 1 van het Algemeen Reglement Vervoer, mondeling de aanwijzing gegeven de restauratie te verlaten door hen mede te delen: ‘’U krijgt nu van mij de aanwijzing deze restauratie te verlaten.’’ Zij voldeden hier niet aan. Na hen te hebben medegedeeld dat zij zich, door het niet opvolgen van mijn aanwijzing, wederom schuldig maakten aan een strafbaar feit, heb ik hen nog twee maal de aanwijzing gegeven. Zij bleven weigeren. Ik heb de vrouwen hierop op vrijdag 10 juni 1983, te 07.35 uur aangehouden. - als relaas van verbalisant [verbalisant 2]: De beide vrouwelijke verdachten werden in het passantenverblijf geplaatst. Ik, verbalisant [verbalisant 2], vroeg één van de beide vrouwelijke verdachten naar haar naam. Zij gaf mij op te zijn: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957. - als relaas van verbalisanten: Verdachten zijn geen beambte of bediende van de spoorweg, noch bestuurder van de spoorwegdienst. 5. Beoordeling van het eerste middel 5.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar, voor zover te dezen van belang, het volgende aangevoerd: Met betrekking tot de aanhouding merk ik nog het volgende op. Kennelijk is het de bedoeling geweest dat mijn klienten in het bureau van de Spoorwegpolitie op het Centraal Station verhoord zouden worden. Dit is in strijd met art. 53 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering dat immers zegt dat degene die aangehouden is direkt voorgeleid moet worden voor een hulpofficier van Justitie. Daarna kan pas een verhoor beginnen. De aanhouding van mijn klienten is alleen al om deze reden onrechtmatig verlopen. 5.2. De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen: ‘’Namens verdachte is het verweer gevoerd dat haar aanhouding in strijd is geweest met artikel 53, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering en daardoor onrechtmatig is verlopen, aangezien verdachte niet direct is voorgeleid voor een hulpofficier van Justitie, terwijl het verhoor van verdachte pas hierna zou kunnen geschieden. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt: - Blijkens na te noemen proces-verbaal, waarvan de inhoud op de na te noemen punten niet door of namens verdachte is bestreden, is verdachte op 10 juni 1983 te 07.35 uur aangehouden in de restauratie op perron 1 van het station Rotterdam C.S. en te 08.25 uur geleid voor een wachtcommandant, tevens hulpofficier van Justitie, in het hoofdbureau van politie aan het Haagse Veer te Rotterdam. Gelet op dit korte tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelijk voornoemd artikel bepaalt, na aanhouding ten spoedigste geleid voor een hulpofficier van Justitie. - De omstandigheid dat een van de verbalisanten haar na de aanhouding ter geleiding voor een hulpofficier naar haar naam heeft gevraagd en kort heeft gehoord, doet deze aanhouding niet onrechtmatig zijn. - De stelling dat een verdachte pas zou kunnen (zoals namens verdachte is gesteld) c.q. mogen worden verhoord na de voorgeleiding vindt geen steun in het (strafvorderings-)recht’’. 5.3. In het middel wordt, evenals in, het reeds voor de Rechtbank gevoerde verweer, betoogd dat de aanhouding van de verdachte is geschied in strijd met het derde lid van art. 53 Sv., omdat het klaarblijkelijk de bedoeling is geweest de verdachte te verhoren op het bureau van de spoorwegpolitie op het Centraal Station te Rotterdam, in plaats van haar voor een verhoor te geleiden voor een hulpofficier van Justitie, en de v