Rechtspraak Hoge Raad 1985-10-01
ECLI:NL:HR:1985:AB7744
Bij vervroeging 1 oktober 1985 Strafkamer nr. 78.722 JC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 januari 1985 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1938, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 16 mei 1984 - de verdachte ter zake van ''overtreding van een gedragsregel vastgesteld bij artikel 8, juncto bord 1 van Bijlage II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens'' veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van zes maanden. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Mr. M.M. van Arnhem, advocaat te Rotterdam, het navolgende middel van cassatie voorgesteld: Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid met zich meebrengt. In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 29, 350, 359, 360 en 425 van het Wetboek van Strafvordering, de artikelen 5 en 6 van het Verdrag van Rome, aangezien het bewezen verklaarde, de overtreding van artikel 8, jo. bord 1 van het reglement Verkeersregels en Verkeerstekens steunt op ondermeer de verklaring van requirant, die onrechtmatig is verkregen en wel derhalve niet tot het bewijs mag meewerken. Ter toelichting op voormeld middel het volgende: a) Op 20 september 1983 werd door een agent van de Gemeentepolitie te Eindhoven waargenomen dat met de personenauto, kenteken [kenteken] een snelheidsovertreding werd gemaakt. Dit kenteken bleek te zijn afgegeven aan requirant. b) De Gemeentepolitie te Eindhoven heeft requirant als kentekenhouder terzake van deze overtreding een antwoordkaart toegezonden, welke als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd. Op een dergelijke antwoordkaart kan de kentekenhouder aangeven door wie de overtreding is gepleegd. c) Requirant heeft op deze antwoordkaart zijn naam ingevuld als degene die de overtreding zou hebben gepleegd, en daarbij aangekruist: ''De overtreding moet ik wel gepleegd hebben, hoewel ik mij dat niet meer herinner en ik wens hiervoor een schikking''. d) Door een antwoordkaart op deze in te vullen heeft requirant zichzelf tot verdachte gemaakt. Op deze antwoordkaart staat echter niet vermeld dat de kentekenhouder, indien hij zelf de overtreding heeft gepleegd, als verdachte niet verplicht is te antwoorden. De cautie, als bedoeld in art. 29, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, is requirant derhalve niet gegeven. e) Ook vragen, die op een antwoordkaart worden gesteld, vallen onder het begrip verhoor in de zin van art. 29 van het Wetboek van Strafvordering; daaronder moet immers worden verstaan: ''Alle vragen, door een opsporingsambtenaar aan een als verdachte aangemerkt persoon betrefde diens betrokkenheid naar een strafbaar feit''. Op het moment dat requirant de antwoordkaart invulde met de mededeling dat hij de overtreding wel gepleegd zou moeten hebben, werd hij een als verdachte aangemerkt persoon. f) Gezien het feit, dat hem niet gewezen is op zijn recht om niet te antwoorden, wanneer hij zichzelf tot verdachte maakt, is requirant in zijn belangen geschaad. Derhalve mag de verklaring van requirant, zoals weergegeven op de antwoordkaart, niet meewerken tot het bewijs van de te laste gelegde overtreding. g) Requirant is in het opsporingsonderzoek niet als verdachte verhoord. Noch bij de behandeling ter terechtzitting in eerste instantie, noch bij de behandeling in hoger beroep is requirant verschenen. Derhalve is hij ook niet op een behandeling ter zitting als verdachte gehoord. h) Nu de verklaring van requirant op de antwoordkaart niet tot het bewijs mag meewerken, en requirant anderszins niet als verdachte is gehoord omtrent de bewezen verklaarde ove