Rechtspraak Hoge Raad 1985-06-28
ECLI:NL:HR:1985:1
28 juni 1985 Eerste Kamer Req. nr. 6838 Br. Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: Mr. R.J.B. Boonekamp, t e g e n [de huurder] , wonende te [woonplaats] , VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen. 1. Het geding in feitelijke instanties Op 8 maart 1984 heeft verzoekster tot cassatie – verder te noemen [verzoekster] -, onder overlegging van een op 23 november 1983 door de huurcommissie in het ressort Zwolle gegeven advies over de vraag welke de betalingsverplichting is van de huurder m.b.t. de in art. 12 eerste lid Huurprijzenwet woonruimte bedoelde boven de huurprijs in rekening gebrachte kosten voor de in het inleidend request genoemde flat te [vestigingsplaats] over de periode van 1 januari 1980 tot en met 31 december 1982, zich gewend tot de Kantonrechter te Zwolle met het verzoek: I. primair: de huurcommissie onbevoegd te verklaren omdat het huurelement een dermate gering aandeel heeft in de tussen partijen gesloten overeenkomst, dat er geen sprake kan zijn van een overeenkomst van huur en verhuur van woonruimte in de zin van art. 1623 a BW; II. subsidiair: de huurcommissie niet-ontvankelijk te verklaren in haar advies betreffende de naast de kale huur (huurprijs) in rekening te brengen overige betalingsverplichtingen; III. meer subsidiair: de betalingsverplichting met inbegrip van service- en andere bijkomende kosten van verweerder in cassatie - verder te noemen de bewoner - per 1 september 1982 vast te stellen op een bedrag ad f. 3.160,-- per maand. Nadat de bewoner tegen dat verzoek verweer had gevoerd, en bij wege van zelfstandig verzoek had verzocht de bijkomende kosten vast te stellen conform het advies van de huurcommissie van 23 november 1983 heeft de Kantonrechter bij beschikking van 15 mei 1984 de huurcommissie onbevoegd verklaard met betrekking tot de ten processe bedoelde tussen partijen gesloten huurovereenkomst en voorts de bewoner niet-ontvankelijk verklaard in zijn bij verweerschrift gedane zelfstandig verzoek. Tegen deze beschikking heeft de bewoner hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zwolle. Bij beschikking van 27 november 1984 heeft de Rechtbank - met vernietiging van de beschikking van de Kantonrechter - vastgesteld dat de huurcommissie bevoegd is met betrekking tot de ten processe bedoelde tussen partijen gesloten huurovereenkomst en partijen ontvankelijk verklaard in hun in eerste aanleg over en weer gedane verzoeken en voorts de zaak terug verwezen naar de Kantonrechter te Zwolle om in de hoofdzaak te worden beslist. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De bewoner heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Het middel moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond. De bepalingen van de vierde afdeling van de zevende titel van Boek 4 BW (betrekkelijk tot huur en verhuur van woonruimte) en die van de Huurprijzenwet woonruimte (HPW) moeten worden gezien als één samenhangend geheel en hebben een strekking waarbij de bescherming van de huurder voorop staat. Voor wat betreft overeenkomsten onder bezwarende titel die niet alleen strekken tot het verschaffen van het gebruik van woonruimte in de zin van deze bepalingen, maar bovendien tot de levering van diensten en goederen welke tezamen kunnen worden aangeduid als "verzorging", wettigen voormelde strekking van deze bepalingen en de geschiedenis van hun totstandkoming (vgl. Hand. II 1978-1979, blzz. 4957, 4967, 5022, 5073, 5085 en 5131) aan te nemen dat zij op dergelijke overeenkomsten toepasselijk zijn, tenzij daarin het verzorgingselement duidelijk overheerst. 3.2 De Rechtbank heeft geoordeeld