Rechtspraak Hoge Raad 1984-06-01
ECLI:NL:HR:1984:AG4824
1 juni 1984 Eerste Kamer Req.nr. 6551 AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: Margaretha Theresia Maria BULLER-BRUINEMAN, wonende te Zoetermeer ,VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen, PD - HR 1/6/1984, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN,(Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie),gevestigd te ‘s-Gravenhage,VERWEERDER in cassatie,advocaat: Mr. E. Korthals Altes. 1. Het geding in feitelijke instanties Op 5 juli 1982 heeft verzoekster tot cassatie – Buller – zich gewend tot de Kantonrechter te ’s-Gravenhage met het verzoek voor recht te verklaren, dat de door haar van verweerder in cassatie – hierna te noemen de P.T.T. – gehuurde loketruimte in het postkantoor aan de Leyweg 1094 te ’s-Gravenhage is bedrijfsruimte in de zin van de artt. 1624 e.v. BW subsidiair (indien rechtens vereist) de termijn van de tegen 1 juli 1982 aangezegde ontruiming te verlengen, met vaststelling van de huurprijs. Nadat de P.T.T. tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 4 februari 1983, het primaire verzoek ongegrond oordelend, het subsidiaire verzoek ingewilligd en de termijn van ontruiming betreffende voormelde loketruimte verlengd tot 1 juli 1983. Tegen deze beschikking heeft Buller hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te ’s-Gravenhage. Bij beschikking van 17 juni 1983 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en Buller niet-ontvankelijk verklaard zowel in haar primaire als in haar subsidiaire verzoek. De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft Buller beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierequest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De P.T.T. heeft verzocht het beroep te verwerpen.De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 De Rechtbank heeft geoordeeld - kort samengevat - dat de werkzaamheden van een collectrice der Staatsloterij niet opleveren de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf in de zin van art. 1624 lid 2 BW. Tegen dit oordeel richt zich middel II onder a. De Rechtbank, die zich bij haar oordeel heeft laten leiden door de aard van die werkzaamheden en door wat in het spraakgebruik onder klein- of detailhandel wordt verstaan, heeft aldus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts in geval van twijfel over de vraag of een bepaalde activiteit als uitoefening van een kleinhandelsbedrijf kan worden beschouwd, is er reden om na te gaan of de overwegingen die de wetgever ertoe hebben gebracht voor huur en verhuur van bedrijfsruimte de speciale regels van de artt. 1624 e.v. in het leven te roepen - met name de plaatsgebondenheid van het bedrijf door de lokale goodwill die karakteristiek is voor de in het tweede lid van art. 1624 genoemde bedrijven - in het gegeven geval op overeenkomstige wijze voor toepassing van de artt. 1624 e.v. pleiten, als zij dat naar het oordeel van de wetgever doen in de gevallen waarin over het karakter van het bedrijf als kleinhandelsbedrijf geen twijfel bestaat. In het onderhavige geval behoefde de Rechtbank zich daarom niet te verdiepen in de plaatsgebondenheid van het bedrijf als bedoeld in het onderdeel. 3.2 Onderdeel b van middel II voert tegen het oordeel van de Rechtbank over het primaire verzoek van Buller enkel aan, dat dit oordeel onjuist is omdat dit verzoek "redelijkerwijs niet anders kan worden opgevat dan als een verzoek om niet-ontvankelijk te worden verklaard - naar de Hoge Raad begrijpt: in het subsidiaire verzoek - op grond dat te dezen de artt. 1624 e.v. toepassing eisen". Deze klacht stuit daarop af dat de Rechtbank in het primaire verzoek van Buller een dergelijk verzoek om niet-ontvankelijk te worden verklaard nu eenmaal niet heeft gelezen, wat niet onbegrijpelijk is nu Buller haar verzoek had gesplitst in een primair en een subsidiair