Rechtspraak Hoge Raad 1984-02-15
ECLI:NL:HR:1984:AC4018
15 februari 1984. nr. 22.311 DG. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Q] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 13 mei 1983 betreffende na te melden aan [X] te [Z] voor het jaar 1981 opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente [Q]; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie voor het jaar 1981 wegens het feitelijk gebruik van het perceel [a-straat 1] te [Z] een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente [Q] is opgelegd ten bedrage van f 90,--, na vergeefs bezwaar bij Burgemeester en Wethouders van die gemeente van hun uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat in de gemente [Q] geldt een Verordening Reinigingsheffingen, waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen voor het jaar 1981 luiden als volgt: ‘’Hoofdstuk I. Inleidende bepaling. Artikel 1. Krachtens deze verordening wordt geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten. Artikel 2. Begripsomschrijvingen. In deze verordening wordt verstaan onder: perceel: een gebouwd onroerend goed - of een gedeelte ervan - dat blijkens indeling en inrichting bestemd is om als afzonderlijk geheel door een particuliere huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig wordt gebruikt. Met perceel worden gelijkgesteld: een stacaravan, een woonboot, een woonwagen en een demontabel zomer- of vakantiehuisje, indien gebruikt door een particuliere huishouding. grof bedrijfsafval: enzovoort. Hoofdstuk II. Afvalstoffenheffing. Artikel 3. Aard der heffing. Onder de naam ‘’Afvalstoffenheffing'' wordt een belasting geheven als bedoeld in artikel 62 van de Afvalstoffenwet. Artikel 4. Belastingplicht. 1. Belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is degene, die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan de gemeente verplicht is tot de in art. 3, eerste lid van de Afvalstoffenwet bedoelde dienstverlening; 2. enzovoort. Artikel 5. Maatstaf van heffing en tarief. De belasting bedraagt per belastingjaar f 90,-- per perceel. Artikel 6. Tijdstip van ontstaan van de belastingschuld. Wijze van heffen. 1. De belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het belastingjaar of, indien het gebruik van een perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, bij de aanvang van dat gebruik. 2. De belasting wordt als volgt geheven: a. voor zover ze verschuldigd is, door de hoofdbewoners of hoofdgebruikers van percelen aangesloten op enig distributiesysteem in beheer bij het gemeentelijk gasbedrijf: bij wege van nota; b. voor het overige: bij wege van aanslag. Hoofdstuk IV. Algemene bepalingen. Artikel 14. Belastingjaar. Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.''; Overwegende dat in de gemeente [Q] voorts geldt een verordening ‘’Afvalstoffenverordening voor de gemeente [Q]'', waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen voor het jaar 1981 luiden als volgt: ‘’Titel I. Algemene bepalingen. Artikel 1. In deze verordening wordt verstaan onder: a. ‘’wet'': Afvalstoffenwet (Stbl. 1977, nummer 455); b. ‘’autowrakken'': hetgeen daaronder wordt verstaan in de wet; c. ‘’inzameldienst'': de dienst bedoeld in artikel 2 van deze verordening; d. ‘’weg'' en ‘’motorrijtuig'': hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet. Artikel 2. Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en deze verordening inzamelen van afvalstoffen wordt aangewezen: de gemeentelijke reinigingsdienst. Titel II. Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen. Hoofdstuk I. Het overdragen of het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst. Paragraaf 1. De dagen en tijden voor het overdragen of het aanbieden. Artikel 3. 1. Burgemeester en wethouders stellen dagen en tijden vast voor het overdragen of het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst. 2. Het is verboden de in het eerste lid bedoelde In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke afvalstoffen kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de vuilniszakken overgedragen of ter inzameling aangeboden dienen te worden op een door hen te bepalen plaats nabij de percelen.''; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: ‘’dat belanghebbende in 1981 feitelijk gebruik maakte van het perceel [a-straat 1] te [Z] ; dat het perceel is gelegen aan het einde van een reed op een afstand van ten minste 400 meter van de openbare weg de [a-straat] ; dat de gemeentelijke reinigingsdienst ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen van de aan de [a-straat] gelegen percelen huis aan huis inzamelt en de gemeente op grond daarvan aan belanghebbende de voormelde aanslag heeft opgelegd; dat de vuilniswagen van de reinigingsdienst niet via de reed oprijdt tot bij het perceel van belanghebbende;''; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen heeft weergegeven als volgt: dat van belanghebbende: ‘’dat, toen hij met zijn gezin ongeveer 16 jaar geleden het perceel als woning betrok, er nog geen vuilnisauto's reden zodat hij er toen toe is overgegaan de huishoudelijke afvalstoffen te verbranden en/of te composteren; dat zij derhalve geen huishoudelijke afval hebben; dat het - afgezien daarvan - ondoenlijk zou zijn zakken huisvuil over een afstand van meer dan 400 meter naar de [a-straat] te brengen; dat, indien de afvalstoffenheffing toch verschuldigd is, het wellicht mogelijk is, dat de vuilnisauto tot bij het erf oprijdt, opdat hij flessen en dergelijke niet composteerbaar afval niet tot aan de weg behoeft te brengen; met conclusie: de uitspraak van Burgemeester en Wethouders en de aanslag te vernietigen;''; dat van Burgemeester en Wethouders: ‘’dat het onderhavige perceel een binnen het grondgebied van de gemeente gelegen perceel is waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld in een particuliere huishouding kunnen ontstaan, zodat de gemeente ten aanzien van dat perceel voldoet aan haar verplichting als bedoeld in artikel 3, lid 1, van de Afvalstoffenwet, om ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen; dat nu belanghebbende van het perceel feitelijk gebruik maakt, hij terecht aan de afvalstoffenheffing onderworpen is; dat hieraan niet afdoet, dat belanghebbende - naar hij stelt - geen huishoudelijk afval produceert en daarom geen gebruik maakt van de diensten van de gemeentelijke reinigingsdienst; dat die dienst voor het inzamelen van afvalstoffen bij aan openbare landreden gelegen percelen de beschikking heeft over een kleiner voertuig, een op vier wielen aangedreven Toyota; dat, afgezien van de vraag of de kwaliteit van de onderhavige reed en het gewicht van de vuilnisauto het mogelijk zouden maken, dat het huisvuil bij belanghebbendes perceel wordt opgehaald, zij, gelet op de consequenties daarvan voor andere verzoeken ter zake, niet bereid zijn aan het betreffende verzoek van belanghebbende te voldoen;''; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: ‘’dat uit de leden 1 en 2 van artikel 3 van de Afvalstoffenwet blijkt, dat op het voorschrift van lid 1, dat de gemeente er voor zorg draagt, dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige stoffen geregeld in een particuliere huishouding kunnen ontstaan, in het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke afvalstoffen twee uitzonderingen mogelijk zijn, te weten, dat met betrekking tot een gedeelte van het grondgebied van de gemeente lid 1 buiten beschouwing blijft dan wel dat voor de toepassing van dat lid een langere dan de daarin voorziene periode kan worden aangehouden en dat beide uitzonderingen alleen gelden, indien op verzoek van Burgemeester en Wethouders Gedeputeerde Staten, de Inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid gehoord, zulks bepalen; dat uit de Memorie van Antwoord (bladzijden 39 en 40) blijkt, dat hier met nam In zijn circulaire van april 1982, aan de gemeentebesturen toegezonden bij brief van 3 juni 1982, nummer 170195, DGMH/AST zegt de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne over het woord ‘’bij'' het volgende: ‘’ ‘’Het begrip ‘’bij'' uit artikel 3, eerste lid, van de Afvalstoffenwet, betreft de variabele afstand tussen perceel en plaats waar de afvalstoffen kunnen worden aangeboden. Voor deze afstand is geen wettelijk maximum gegeven. In beginsel echter zullen huishoudelijke afvalstoffen op de erfafscheiding moeten kunnen worden aangeboden. Met erfafscheiding wordt de scheiding tussen het bij het perceel behorend erf en de openbare weg bedoeld'' ‘’. In het voetspoor van deze toelichting kan naar de mening van Burgemeester en Wethouders niet anders worden geconcludeerd, dan dat de uitleg die het college aan het woord ‘’bij'' geeft, te weten ‘’ ‘’op het dichtstbijzijnde punt op of aan de openbare weg'' '' de juiste is. Voor deze conclusie wordt steun gevonden in de uitspraken van de Voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 7 april 1982, nummer A.32.1536 (N.J./A.B. 1982, nummer 586) en van 12 november 1982, nummer A.32.4918 (N.J./A.B. 1983, nummer 239). In deze uitspraken overweegt de voorzitter dat op grond van een redelijke uitleg van artikel 3 van de Afvalstoffenwet en van het in artikel 7 van de Afvalstoffenverordening gebezigde begrip ‘’ ‘’zo dicht mogelijk nabij de percelen'' '' de inzameling dient plaats te vinden op het dichtstbijzijnde punt op of aan de openbare weg. De uitleg van het Hof van artikel 3, lid 1 van de Afvalstoffenwet is ook om een andere, meer practische reden, niet houdbaar. In de zienswijze van het Hof zou de inzameldienst, in alle gevallen, dat een perceel op meer dan een bepaalde afstand van de openbare weg is gelegen, gehouden zijn particuliere eigendommen te betreden om het huisvuil in te zamelen. In die situaties is het niet ondenkbaar, dat de rechthebbende van die eigendommen privaatrechtelijke belemmeringen aan het betreden van die eigendommen in de weg legt; belemmeringen, die er zelfs toe zouden kunnen leiden dat het inzamelen van huisvuil onmogelijk wordt. Dit laatste nu is volledig in strijd met de doelstelling van de wet, zijnde een uit milieuhygiënisch oogpunt verantwoorde verwijdering van afvalstoffen. De door het Hof aan artikel 3, lid 1 gegeven uitleg is dan ook daarom al niet acceptabel. Ad 2. Het Hof komt, nadat het heeft overwogen dat onder ‘’bij'' moet worden verstaan ‘’dichtbij'' of ‘’in de nabijheid'', en dat er daarom in het onderhavige geval geen sprake is van de in artikel 3, lid 1 van de Afvalstoffenwet bedoelde dienstverlening, tot de conclusie dat de in het geding zijnde aanslag ten onrechte is opgelegd. Het Hof koppelt daarmee de belastingplicht aan het feitelijk verlenen van de dienst, terwijl de rijkswetgever in artikel 62, lid 1 en de gemeenteraad in navolging daarvan in artikel 4 van de Verordening Reinigingsheffingen, juist zegt, dat een ieder, die feitelijk gebruik maakt van een perceel waar de ingevolge artikel 3 van de Afvalstoffenwet geldende verplichting tot inzameling voor geldt belastingplichtig is. Nu Gedeputeerde Staten van Friesland met betrekking tot het onderhavige perceel niet hebben bepaald, dat eerdergenoemde verplichting niet geldt, moet als vaststaand worden aangenomen, dat ten aanzien van dit perceel de uit het eerste lid van artikel 3 van de Afvalstoffenwet voor het gemeentebestuur, voortvloeiende rechtsplicht, onverkort geldt. Dat brengt dan, gelet op de bewoordingen van artikel 62, lid 1 van de Afvalstoffenwet en artikel 4 van de Verordening Reinigingsheffingen automatisch met zich mee dat voor de gebruiker van het perceel de plicht tot betaling van de afvalstoffenheffing bestaat. Indien men al met het Hof tot de conclusie zou moeten komen, dat het gemeentebestuur voor wat zijn verplichtingen betreft in gebreke blijft, dan nog laat dat de plicht tot betaling van de heffing onverlet. Voor het beëindigen van een verme