Rechtspraak Hoge Raad 1983-01-05
ECLI:NL:HR:1983:AW9012
5 januari 1983 nr. 21.265 AdJ. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 december 1981 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1978; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1978 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 125.586,--, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 124.806,--, van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof het volgende als vaststaand heeft aangemerkt: ‘’Belanghebbende, geboren in 1913, exploiteerde tot en met het jaar 1975 een houthandel. Tegen het einde van dat jaar staakte belanghebbende zijn onderneming. De tot het tijdstip van staking tot het ondernemingsvermogen behorende vermogensbestanddelen werden deels verkocht, deels door belanghebbende overgebracht naar zijn privé-vermogen. De bij de staking opgekomen liquidatiewinst heeft belanghebbende in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1975 begrepen. De betreffende stakingswinst is op verzoek van belanghebbende door de inspecteur belast naar het tarief van artikel 57, lid 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Tot het hiervoor genoemde ondernemingsvermogen behoorde een vordering (hierna: de vordering) op de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., - hierna te noemen de B.V. - welke een onderneming exploiteerde voor de verkoop van doe-het-zelf-artikelen. De vordering was op het tijdstip van staking van belanghebbendes onderneming groot f 29.978,30, in welke vordering, ontstaan ten gevolge van leveringen door belanghebbende aan de B.V., een bedrag aan omzetbelasting was begrepen van f 4.134,93. Belanghebbende heeft ten laste van de winst van zijn onderneming over het jaar 1975 een bedrag van f 15.000,-- op genoemde vordering afgeschreven en heeft in zijn aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 1976 aan deze vordering een waarde toegekend van f 14.978,30 en de vordering voor dit bedrag opgenomen onder zijn privé-vorderingen. Naast de genoemde vordering bezat belanghebbende een vanaf het tijdstip van ontstaan ervan tot zijn privé-vermogen gerekende vordering op de B.V., welke vordering op 31 december 1975 een bedrag beliep van f 24.455,--. Deze vordering heeft belanghebbende voor de nominale waarde opgenomen in zijn aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 1976. Het geplaatste en gestorte kapitaal van de in 1972 opgerichte B.V. beliep f 10.000,--. In dit aandelenkapitaal nam belanghebbende aanvankelijk deel voor f 7.500,-- nominaal, welk aandelenbezit belanghebbende tot zijn privé- vermogen rekende, waarna hij in de loop van het jaar 1976 de resterende aandelen tot het nominale bedrag van f 2.500,-- verwierf door aankoop a pari. De hiervoor genoemde in de vordering van f 29.978,30 begrepen omzetbelasting ten bedrage van f 4.134,93 heeft de belastingadministratie, met toepassing van artikel 29, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, in de loop van het jaar 1979 aan belanghebbende terugbetaald. De B.V., die in het jaar 1973 een winst had gemaakt van f 6.018,--, leed over de jaren 1974, 1975 en 1976 verliezen ten belope van achtereenvolgens f 17.965,--, f 3.460,-- en f 5.522,--. Het vermogen van de B.V. beliep per ultimo van de jaren 1973 tot en met 1976 achtereenvolgens een bedrag van positief f 10.020,-- en negatief f 7.944,--, f 11.405,-- en f 16.928,--. De B.V. is in de loop van het jaar 1978 failliet verklaard. Aan belanghebbendes vorderingen op de B.V., waarop tot dat tijdstip geen aflossingen hadden plaatsgevonden, kon geen waarde meer worden toegekend. Belanghebbende heeft de waarde van de vordering op het tijdstip van liquidatie van zijn onderneming per 31 december 1975 ten bedrage van f 14.978,--, verminderd met de in de vordering begrepen omzetbelasting, voor de nominale waarde in zijn aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 1976 heeft opgenomen en op het feit, dat belanghebbende blijkbaar bereid was in de loop van het jaar 1976 het bij een derde uitstaande aandelenkapitaal der B.V. voor de nominale waarde aan te kopen. Het Hof wijst er ten overvloede nog op, dat het, nu belanghebbende op 31 december 1975 reeds een tot zijn privé-vermogen behorende vordering op de B.V. bezat, voor de hand lag de tot zijn onderneming behorende vordering per 31 december 1975 eveneens naar zijn privé-vermogen over te brengen. Door deze wijze van handelen werden moeilijk oplosbare problemen met betrekking tot de toerekening aan tweeërlei soorten vorderingen van door de B.V. na 31 december 1975 mogelijkerwijs te verrichten betalingen bij voorbaat voorkomen. De inspecteur heeft derhalve het door belanghebbende aangegeven belastbaar inkomen terecht met het door belanghebbende in aanmerking genomen verlies op de vordering op de B.V. verhoogd.''; Overwegende dat het Hof op die gronden de uitspraak van de Inspecteur heeft bevestigd; Overwegende dat belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof het volgende middel van cassatie aanvoert, toegelicht zoals daarachter vermeld: ‘’Schending of verkeerde toepassing van de artikelen 6 en 9 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 nu het Hof heeft beslist dat het verlies op een vordering die voortvloeide uit een ondernemingsactiviteit van belanghebbende, niet als verlies uit onderneming kan worden aangemerkt en mitsdien niet aftrekbaar is van het inkomen 1978. Aldus beslissende geeft het Hof blijk van een verkeerde uitleg van genoemd wetsartikel casu quo kunnen de door het Hof aangevoerde gronden voor de verwerping van het beroep de uitspraak niet dragen. Voor dit standpunt voert belanghebbende het volgende aan: 1. Belanghebbende had niet de vrijheid, vorderingen die voortvloeien uit ondernemingsactiviteiten en waarvan het beloop onzeker was (dubieuze vorderingen), zonder dat de uitslag van de onderhandelingen of de invordering afgewacht werd, ter gelegenheid van de staking van de onderneming naar het privé-vermogen over te brengen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Hoge Raad van 28 oktober 1959 (BNB 1959/374) en naar de uitspraak 9 november 1960 (BNB 1961/37). 2. Het onder 1 hiervoor gestelde geldt des te meer nu voor het vast komen staan van de vordering casu quo het gedeeltelijk incasseren van de vordering zoals het Hof vastgesteld heeft nog een ondernemingsactiviteit noodzakelijk was namelijk het in 1979 terugvorderen van de in de vordering begrepen omzetbelasting. Interessant is het om op te merken dat de Inspecteur der directe belastingen te [Z], 1e afdeling, de in 1979 gerestitueerde omzetbelasting wel tot het inkomen rekent in 1979 (zie bijlage 3). De Inspecteur der directe belastingen neemt dus kennelijk in 1979 wel voortgezette bedrijfsuitoefening casu quo het bestaan van een ondernemingsvordering aan. Dit in tegenstelling tot 1978. 3. Ten onrechte leidt het Hof uit het feit dat belanghebbende de aandelen in [A] B.V. en een vordering wegens in rekening-courant aan de B.V. geleend geld tot zijn privé-vermogen rekende af, dat de vordering ontstaan uit levering van hout door de onderneming van belanghebbende ook een privé-vordering is. Voor deze aanname wordt geen enkele rechtsgrond aangevoerd. 4. Zonder daarvoor enige rechtsgrond aan te geven concludeert het Hof dat de vordering tot het privé-vermogen van belanghebbende behoorde. Aan de mening van belanghebbende dat sprake was van verplicht ondernemingsvermogen of keuzevermogen wordt voorbij gegaan. De verwijzing van belanghebbende naar de uitspraak van het Hof Amsterdam van 25 mei 1970, BNB 1971/100 vindt geen weerslag in de uitspraak van het Hof. 5. Aan hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in beroepschrift en pleitnota gaat het Hof vrijwel geheel voorbij. Op grond van voorgaande verzoekt belanghebbende de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem te vernietigen en het belas