Rechtspraak Hoge Raad 1983-05-06
ECLI:NL:HR:1983:AG4641
6 mei 1983 Eerste Kamer Req.nr. 5777 Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. de openbare rechtspersoon Het Eilandgebied Curaçao, gevestigd te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen, 2. het Hoofd van de Afdeling Financien van het Eilandgebied Curaçao, zijnde thans Maurits Johannes Larmonie, wonende te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen, en 3. de Ontvanger van het Eilandgebied Curaçao, zijnde thans Guillermo Hermenegildo Urso Leonora, wonende te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen, EISERS tot cassatie, incidenteel verweerders, advocaat: Mr. A.G. Maris, t e g e n 1. Curaçao Oil Terminal N.V., een naamloze vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen, gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, 2. Shell Curaçao N.V., een naamloze vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen, gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, VERWEERSTERS in cassatie, incidenteel eiseressen, Advocaat: Mr. H.J.C. ter Kuile. 1. Het geding in feitelijke instanties Op 14 juli 1977 hebben nu-verweersters (COT en SCNV) zich met twee verzoekschriften gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, met vordering een tweetal Eilandsverordeningen — het ene verzoekschrift heeft op de hierna te noemen Verordening Tankbelasting betrekking, het andere op de Verordening Bullenbaai — onverbindend te verklaren, met daarmee verband houdende vorderingen. Nadat het Eilandgebied c.s. tegen die vorderingen verweer had gevoerd, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao, na de zaken te hebben gevoegd, bij vonnis van 15 oktober 1979 de vorderingen afgewezen. Tegen dit vonnis hebben COT en SCNV hoger beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen. Bij vonnis van 3 maart 1981 heeft het Hof het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg vernietigd en de vorderingen toegewezen zoals in het dictum van 's Hofs vonnis is vermeld. Het vonnis van het Hof van Justitie is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van het Hof van Justitie heeft het Eilandgebied c.s. beroep in cassatie ingesteld, waarna COT en SCNV voorwaardelijk incidenteel beroep hebben ingesteld. Het cassatierequest en het request houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Partijen hebben over en weer verzocht de beroepen te verwerpen. De zaak is voor partijen mondeling toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot bevestiging van het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg en tot veroordeling van COT en SCNV in de kosten van het geding in hoger beroep en in cassatie. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. COT, een overslagbedrijf voor olie en olieprodukten, heeft zich in 1973 op het eiland Curaçao gevestigd, na van de Minister-President van de toenmalige regering van de Nederlandse Antillen een toezegging tot belastingvrijstelling te hebben ontvangen. Aan deze toezegging is uitvoering gegeven door middel van het Landsbesluit van 10 juni 1976, no. 1, waarbij COT gelijk werd gesteld met een bedrijf in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening ter bevordering van industrievestiging en hotelbouw 1953, zulks met toepassing van het vijfde lid van dat artikel. Blijkens dat Landsbesluit is er tevoren overleg gepleegd met het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curaçao. COT heeft zodoende een beschikking verkregen, die in verband met artikel 2 van genoemde Landsverordening strekt tot vrijstelling van de in datzelfde artikel opgesomde belastingen, waaronder winstbelasting op winsten behaald met haar bedrijf. Voor het Eilandgebied betekende dit dat het zijn aandeel in de opbrengst van de van COT te heffen winstbelasting, waarop het krachtens artikel 87 van de Eilandenregeling recht had, zou moeten derven. Nadat het Eilandgebied had laten weten dat het niet accoord ging met de aan COT verleende belast Het Hof heeft een en ander als vaststaande aangenomen ‘’als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet behoorlijk weersproken dan wel op grond van de inhoud van de in het geding gebrachte producties’’. Dit is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en kan, als van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Niet valt in te zien waarom de in dit subonderdeel aangevallen vaststelling in tegenspraak zou zijn met hetgeen in 's Hofs rechtsoverweging 6 onder 1 is overwogen. Het Hof behoefde niet aan te geven waarom de in het onderdeel bedoelde stellingen ‘’onjuist zouden zijn’’. De zinsnede ‘’Appellanten hadden toen reeds ter plaatse geïnvesteerd’’ ('s Hofs rechtsoverweging 5 onder b) is niet dragend voor 's Hofs beslissing. De vaststelling dat beide belastingen vrijwel alleen van COT worden geheven, kwam reeds ter sprake bij de behandeling van onderdeel B. Subonderdeel C–c gaat ervan uit dat het Hof op grond van de in rechtsoverweging 5 onder c vermelde omstandigheid dat de tanks van COT afgelegen in het water liggen, door heuvels omgeven zijn en vanuit de bewoonde of toeristische gebieden nauwelijks zichtbaar, de Verordening Tankbelasting onverbindend heeft geoordeeld. Dit berust op een onjuiste lezing van 's Hofs vonnis: hiervoor zij verwezen naar hetgeen hierna, onder 3.7, tweede alinea, zal worden overwogen. 's Hofs overweging (rechtsoverweging 5 onder c), luidende: ‘’Geïntimeerden hebben deze overweging en conclusie in hoger beroep niet bestreden’’, is van feitelijke aard en in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk; zij kan in cassatie niet op haar juistheid worden onderzocht. De zin ‘’Ingevolge de Tankbelasting dienen appellanten althans COT jaarlijks NA ƒ. 14.700.000,-- te betalen’’ moet, gelet op 's Hofs rechtsoverweging 2 (‘’dat de aan andere belastingplichtigen dan COT op grond van deze beide Verordeningen opgelegde heffingen te verwaarlozen zijn’’) worden gelezen als: (…) dient COT (…) te betalen. Eisers tot cassatie hebben bij hun desbetreffende klacht, mede gelet op hetgeen hierna met betrekking tot onderdeel H zal worden overwogen, geen belang. Subonderdeel C–d heeft betrekking op 's Hofs vaststelling in rechtsoverweging 5 onder d dat het grootste deel van de Bullenbaai ‘’juridisch en economisch eigendom’’ van SCNV is en het resterend kleinste deel ‘’economisch eigendom’’ van deze vennootschap, en op de passage, gewijd aan een brief van 17 april 1973 van de Minister-President van de regering van de Nederlandse Antillen aan SCNV. Een en ander is niet dragend voor 's Hofs beslissing. De omstandigheid dat de Bullenbaaiheffing geen betrekking heeft op enige ‘’tegenprestatie’’ van de zijde van het Eilandgebied, is door het Hof gebezigd — en kon zonder schending van enige rechtsregel worden gebezigd — in het kader van zijn hierna onder 3.6 te bespreken redenering. De zin, aan het slot van rechtsoverweging 5 onder d, luidende: ‘’Ingevolge de Bullenbaaiheffing dienen appellanten althans COT (…)’’, moet — om reden hierboven onder C–c uiteengezet — worden gelezen als: (…) dient COT (…). Bij deze klacht hebben eisers tot cassatie geen belang. Op de aan het slot van subonderdeel C–d genoemde passages in de memorie van toelichting op de Verordening Bullenbaai behoefde het Hof niet in te gaan. Ook onderdeel C faalt dus. 3.4 In onderdeel D komt 's Hofs rechtsoverweging 6 aan de orde. Daarin heeft het Hof op de daar aangegeven gronden de voormelde Eilandsverordeningen onverbindend geacht, waarbij — zoals reeds aangestipt — het Hof zowel spreekt van rechtstreekse strijd met de Landsverordening ter bevordering van industrievestiging en hotelbouw 1953, als van misbruik van wetgevende bevoegdheid, doordat deze bevoegdheid voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor zij is verleend. Bij dit laatste heeft het Hof echter kennelijk evenzeer het oog gehad op grenzen die de voormelde Landsverordening aan de uitoefening van de wetgevende bevoegdheid van het Eilandgebied ter zake van het h De Tankbelasting treft, zowel wat het bedrag als wat het aantal belastingplichtigen betreft, nagenoeg alleen COT. De Bullenbaaiheffing treft, voor zover het andere voorwerpen dan schepen betreft, nagenoeg alleen COT. c. De Tankbelasting is, blijkens de memorie van toelichting op de betreffende Verordening, gekozen, omdat de tanks door met name hun omvang, aanblik en situering in ernstige mate het milieu verstoren en/of het landschap visueel verontreinigen. De eerste rechter heeft in zijn vonnis overwogen dat deze vlag de lading niet dekt, omdat is gebleken dat het het Eilandgebied in de eerste plaats te doen is geweest om het verwerven van geldmiddelen, en niet om het milieu-aspect, waarvan het Hof bovendien heeft vastgesteld dat het om een ‘’relatief geringe aantasting van het milieu’’ gaat. Tegen de voormelde overweging van de eerste rechter is in hoger beroep niet opgekomen. De Bullenbaaiheffing heeft voorts naar 's Hofs vaststelling geen betrekking op enige ‘’tegenprestatie’’ van de zijde van het Eilandgebied. d. De omvang van de op grond van de Eilandsverordeningen door COT verschuldigde belasting bedraagt te zamen NA ƒ. 17.100.000,-- per jaar. Op grond van deze omstandigheden, die het Hof in onderling verband heeft beschouwd en waaruit het Hof kennelijk heeft afgeleid dat de Eilandsverordeningen de strekking hadden om van COT zelf een compensatie te verkrijgen voor de opbrengst van de winstbelasting die het Eilandgebied als gevolg van de vrijstelling van COT door het landsbestuur zou derven, is het Hof terecht tot de conclusie gekomen dat de Eilandsverordeningen een — niet te verwaarlozen — aantasting van de op COT toepasselijke vrijstelling opleveren en derhalve in strijd zijn met de Landsverordening ter bevordering van industrievestiging en hotelbouw 1953, zoals deze moet worden uitgelegd aan de hand van hetgeen boven omtrent deze Verordening is overwogen. Daarbij is mede van belang dat een zodanige aantasting niet alleen de met die Verordening beoogde gevolgen — een aantrekkelijke fiscale sfeer, vooral voor te vestigen ondernemingen met buitenlands kapitaal — in het Eilandgebied in gevaar kan brengen, maar tevens in de gehele Nederlandse Antillen die, zoals boven overwogen, in de Landsverordening, ook sociaal-economisch, als een eenheid worden beschouwd en door buitenlandse ondernemers vaak als een geheel gezien zullen worden. 3.7 Het bovenoverwogene brengt mee dat ook onderdeel D van het middel faalt. Dit behoeft nog slechts op enkele punten nadere motivering. In de eerste plaats is van belang dat het onderdeel, overal waar het ervan uitgaat dat het Hof de Eilandsverordeningen aan de afzonderlijke door het Hof in rechtsoverweging 6 opgesomde punten heeft getoetst, feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft immers slechts aan de hand van de daarin vermelde omstandigheden de strekking van die Verordeningen vastgesteld en deze strekking in strijd met de Landsverordening geacht. Tot een zodanige toetsing was het Hof bevoegd in verband met artikel 85 van de Eilandenregeling. Voorts doet — anders dan in het onderdeel wordt betoogd — aan het bovenoverwogene niet af dat COT en SCNV een zo belangrijke plaats binnen het Eilandgebied innemen dat 60% van het National Gross Product van hen afkomstig is en dat zij omvangrijke investeringen binnen het Eilandgebied hebben gedaan. Evenmin heeft het Hof een onjuist oordeel gegeven door de Eilandsverordeningen op grond van het voorgaande onverbindend te achten in plaats van ‘’niet-rechtsgeldig of onrechtmatig’’, zoals het onderdeel wil. Het Hof heeft de beide Verordeningen in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden terecht in onderlinge samenhang gezien. In verband daarmee is ook de Bullenbaaiverordening, voor zover zij andere voorwerpen dan schepen betreft, onverbindend. Het onder 3.5 en 3.6 overwogene sluit in dat het feit dat de bij de Eilandsverordeningen geheven belastingen niet van de soort waren, waarvan de heffing of de vrijstelling aan het Land was voorbehouden Voor dit laatste zijn in de stukken van het geding ook geen aanknopingspunten te vinden. Een en ander betekent dat in 's Hofs dictum onder II, waar de onverbindendheid van de Verordening Bullenbaai wordt uitgesproken, de woorden ‘’voor zover het andere voorwerpen dan schepen betreft’’ moeten worden ingevoegd, en dat voorts enkele aanpassingen nodig zijn zoals hierna zal worden aangegeven. 3.10 Onderdeel G richt zich tegen 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 9 dat het Eilandgebied ‘’door op de onder punt 6 vermelde wijze en onder de daar vermelde omstandigheden’’ de Tankbelasting en de Bullenbaaiheffing in te stellen, ‘’verwijtbaar (heeft) gehandeld in strijd met de jegens appellanten in acht te nemen eisen van zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer’’ en dat het Eilandgebied daarom gehouden is om de door die onrechtmatige daad ‘’voor appellanten ontstane schade te vergoeden’’. De vraag of dit oordeel houdbaar is voor zover SCNV betreft, komt bij de bespreking van onderdeel H aan de orde. Hier zal het oordeel aan de hand van de in onderdeel G daartegen gerichte klachten slechts worden onderzocht voor zover het op COT betrekking heeft. Het onderdeel bestrijdt het oordeel, afgezien van de verwijzing naar ‘’het vorenstaande’’, met drie klachten, die falen. De stelling dat ‘’de vraag of dit vaststellen een onrechtmatige daad oplevert (…) niet ter beoordeling van de burgerlijke rechter (staat)’’, vindt geen steun in het recht. De stelling dat de vastgestelde feiten en omstandigheden ‘’onvoldoende (zijn) om op grond daarvan tot een aan de schuld van eisers te wijten onrechtmatige daad van eisers, als door het Hof bedoeld, te besluiten’’, faalt — voor zover COT betreft — eveneens. De in 's Hofs rechtsoverweging 6 vermelde omstandigheden, gevoegd bij 's Hofs aldaar uitgesproken oordeel dat het Eilandgebied ‘’onmiskenbaar opzettelijk’’ heeft gehandeld, wettigen 's Hofs oordeel dat het Eilandgebied verwijtbaar heeft gehandeld in strijd met de jegens COT in acht te nemen eisen van zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer en dat het Eilandgebied daarom gehouden is de daardoor voor COT ontstane schade te vergoeden. 's Hofs oordeel dat het de mogelijkheid aanwezig acht dat COT naast het door haar ten onrechte betaalde belastingbedrag nog andere voor vergoeding door het Eilandgebied in aanmerking komende schade heeft geleden, is niet onbegrijpelijk en is voldoende om partijen voor de vaststelling van die schade naar de schadestaatprocedure te verwijzen. 3.11 Onderdeel H richt zich tegen 's Hofs dictum onder II, voor zover dat — telkenmale onder b — inhoudt dat voor SCNV geen verplichtingen tot betaling van belastingen of heffingen uit de desbetreffende Eilandsverordeningen zijn voortgevloeid of voortvloeien; en tegen het dictum onder III, voor zover het Eilandgebied is veroordeeld tot terugbetaling aan SCNV als daar vermeld onder a en tot vergoeding van schade aan SCNV als omschreven onder b. Voorop moet worden gesteld dat het Hof kennelijk ervan is uitgegaan dat het Eilandgebied in de feitelijke instanties niet heeft betwist dat, als de Eilandsverordeningen op grond van hun strekking — de op COT toepasselijke belastingvrijstelling in niet te verwaarlozen mate aan te tasten — onverbindend zijn, zulks niet alleen geldt ten opzichte van COT maar ook ten opzichte van SCNV. Daarvan uitgaande heeft het Hof onder II, telkenmale sub a, het door COT en SCNV gevraagde declaratoir gegeven. Dit declaratoir moet derhalve aldus worden verstaan dat zowel in de rechtsbetrekking tussen het Eilandgebied en COT als in die tussen het Eilandgebied en SCNV geldt dat de desbetreffende Eilandsverordeningen onverbindend zijn. Tegen dit gedeelte van het dictum is in cassatie (afgezien van het hier niet ter zake doende punt waarop onderdeel F betrekking heeft) niet opgekomen, zodat er bij de behandeling van onderdeel H in ieder geval van moet worden uitgegaan dat ook in de rechtsbetrekking Eilandgebied-SCNV de desbetreffende Eilandsverordeningen onverbinden