Rechtspraak Hoge Raad 1983-06-24
ECLI:NL:HR:1983:AD2221
24 juni 1983 Eerste Kamer Nr. 12.097 AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: Mr. J. Groen, PD-HR 10/8/1982, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. J.C. van Oven. 1. Het geding in feitelijke instanties [verweerder] heeft bij exploot van 17 september 1981 [eiseres] in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Arnhem en gevorderd dat [eiseres], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om — kort gezegd — in het dagblad ‘’De Gelderlander’’ een ‘’rectificatie’’ te doen plaatsen, als nader aangegeven in de dagvaarding, en om zich te onthouden van verdere suggestieve uitlatingen aangaande de financiële integriteit van [verweerder], vergelijkbaar met die waaraan zij zich reeds had schuldig gemaakt. Nadat [eiseres] tegen die vordering verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 30 september 1981 de gevraagde voorziening geweigerd. Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 19 april 1982 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd en [eiseres] veroordeeld tot plaatsing in het dagblad de Gelderlander van de volgende inhoud: ‘’ Rectificatie ‘’Uit eerder door mij gedane, in dit dagblad op 22 augustus 1981 geciteerde uitlatingen, zou de indruk kunnen ontstaan dat [verweerder] te Nijmegen, als bestuurder van stichtingen, zich ten koste van deze stichtingen heeft verrijkt. Ik beschikte niet over zodanige feiten of gegevens dat mijn uitlatingen gerechtvaardigd waren’’. Wieneke [eiseres] ‘’ b . zich te onthouden van verdere eendere of vergelijkbare suggestieve uitlatingen aangaande financiële integriteit van appellant, met dien verstande dat deze veroordeling geen betrekking heeft op uitlatingen, waarvoor geïntimeerde ingevolge het bepaalde in de artikelen 43 en 64 e der Gemeentewet niet gerechtelijk vervolgbaar is; c. ten titel van dwangsom ƒ 5.000,-- (vijfduizend gulden) aan appellant te betalen voor iedere overtreding van het onder a en b gestelde gebod respectievelijk verbod, tot een maximum van in totaal ƒ 25.000,--;’’. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen bepleit door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van de middelen 3.1 Het eerste middel bestrijdt de beslissing van het Hof ‘’dat de artt. 53 en 64 e der gemeentewet, waarop [eiseres] zich beroept, niet maken dat zij niet gerechtelijk vervolgbaar is voor hetgeen zij als gemeenteraadslid aan anderen dan de raad of een raadscommissie schriftelijk heeft overgelegd’’. Deze klacht faalt. De bescherming tegen vervolging in rechte, die de genoemde wetsartikelen aan een gemeenteraadslid bieden, strekt zich niet uit tot andere handelingen dan die welke in deze wetsvoorschriften worden genoemd. De Wet openbaarheid van bestuur heeft daarin geen verandering gebracht, daargelaten welke rol zij zou kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag, in hoever het (doen) publiceren van stukken die onder deze wet vallen in een gegeven geval als in strijd met de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid jegens in die stukken aangeduide personen kan worden beschouwd. Ook het feit dat de taak van een gemeenteraadslid zich niet beperkt tot het deelnemen aan raads- en commissievergaderingen, rechtvaardigt niet de in de artt. 53 en 64 e voorziene onschendbaarheid uit te breiden tot andere handelingen dan die in deze artikelen worden aangegeven. 3.2 Het tweede middel heeft betrekking op de vraag of [eiseres] in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die haar jegens [verweerder] betaamde, door op 20 augustus 1981 aan een journalist van het dagblad ‘’De Gelderlander’’ een afschrift van de brief met bijlagen ter hand te stellen, welke stukken zij op diezelfde datum bij de gemeente Nijmegen heeft ingediend ter behandeling op 25 augustus 1981 in de raadscommissie Maatschappelijk Welzijn van die gemeente, van welke commissie zij deel uitmaakte, en door deze stukken tevens aan het nieuwsblad van de socialistische partij ‘’de Tribune’’ ter hand te stellen. Volgens 's Hofs vaststelling heeft [eiseres] in deze stukken — zij het in vragende vorm — gesuggereerd dat [verweerder] als bestuurder van kinderbeschermingsinstellingen die met overheidssubsidie werken, door duistere onroerendgoedtransacties die met kinderbescherming niets te maken hebben, zich ten koste van gemeenschapsgelden persoonlijk verrijkt, door welke suggestie de financiële integriteit van [verweerder] bij het door de bladen bestreken publiek verdacht wordt gemaakt. Een dergelijke verdachtmaking is, aldus het Hof, in strijd met de jegens [verweerder] in het maatschappelijke verkeer betamende zorgvuldigheid. Hierbij laat het Hof buiten beschouwing de vraag of de in de uitlatingen van [eiseres] vervatte suggestie betreffende de financiële integriteit van [verweerder] met de waarheid overeenkwam. Ook verwijt het Hof aan [eiseres] niet dat zij de betreffende suggestie in onnodig grievende termen zou hebben vervat, noch dat zij (mede) uit eigen belang of uit persoonlijke animositeit jegens [verweerder] zou hebben gehandeld. Blijkens de wijze waarop het Hof het beroep van [eiseres] op het algemeen belang heeft verworpen, heeft het voorts aangenomen dat [eiseres] met het ter hand stellen van de stukken aan de pers de bedoeling had om ‘’klaarheid inzake de bewuste transacties te bereiken’’. Anderzijds is het Hof er blijkens de formulering van de aan [eiseres] bevolen rectificatie van uitgegaan dat de door haar opgespoorde feiten haar geen zekerheid gaven en konden geven omtrent de juistheid van haar in de stukken geformuleerde verdenkingen. 3.3 Het middel — dat er kennelijk met het Hof van uitgaat dat de toewijsbaarheid van de in kort geding gegeven voorzieningen afhing van de vraag of het aan De Gelderlander en De Tribune ter hand stellen van de betreffende stukken onrechtmatig was — klaagt erover dat het Hof aan zijn oordeel een onjuist onrechtmatigheidscriterium ten grondslag heeft gelegd. Deze klacht is gegrond. Het feit dat [eiseres] in de aan de pers verstrekte stukken suggereert — zoals het Hof het in de vierde rechtsoverweging ad b formuleert — dat [verweerder] als bestuurder van kinderbeschermingsinstellingen die met overheidssubsidie werken, door duistere onroerendgoedtransacties, die met kinderbescherming niets te maken hebben, zich ten koste van gemeenschapsgelden persoonlijk heeft verrijkt, en dat door een dergelijke suggestie de financiële integriteit van [verweerder] bij het door deze bladen bestreken publiek verdacht wordt gemaakt, rechtvaardigt, wanneer men uitgaat van het onder 3.2 vermelde, op zichzelf nog niet het oordeel dat [eiseres] in strijd heeft gehandeld met de jegens [verweerder] in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid. 3.4 Bij de hier aan de orde zijnde vraag staan in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan dankzij het onvermogen van de verantwoordelijke overheidsorganen om in een gecompliceerde maatschappij als die waarin wij leven gelijkelijk aandacht te geven aan alle zaken die die aandacht verdienen, nog daargelaten de mogelijkheid van andere factoren die belemmerend kunnen werken op het doen beëindigen van een bepaalde misstand.