Rechtspraak Hoge Raad 1982-09-15
ECLI:NL:HR:1982:AW9462
15 september 1982 nr. 21.134 DG. Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30 juli 1981 betreffende de aan [X] te [Z] voor het jaar 1979 opgelegde aanslag in de baatbelasting [c-straat] van de gemeente [Z]; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende voor het jaar 1979 een aanslag in de baatbelasting [c-straat] is opgelegd, welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders is gehandhaafd, waarna belanghebbende van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat in de gemeente [Z] geldt een Verordening baatbelasting [c-straat] waarvan de te dezen van belang zijnde bepalingen luiden als volgt: ‘’Artikel 1. Aard der belasting. Ter zake van in de [c-straat] gelegen gebouwde eigendommen, welke zijn gebaat bij het van gemeentewege aanbrengen van een sierbestrating en de daarmee verband houdende werkzaamheden, alsmede bij het van gemeentewege aanbrengen van sierverlichting en bloembakken, wordt onder de naam van ‘’baatbelasting [c-straat]'' een belasting geheven, zulks ter verkrijging van een billijke bijdrage in de daarmee gepaard gaande kosten. Artikel 3. Belastingplicht. 1. De belasting wordt geheven van degene, die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens zakelijk recht van een in artikel 1 bedoeld gebouwd eigendom, welke is gelegen binnen het op de bij deze verordening behorende kaart aangegeven gebied. 2. Enzovoort. Artikel 4. Heffingsgrondslag. De grondslag voor de belasting als bedoeld in artikel 1 is de oppervlakte van het gebouwde eigendom met uitzondering van de voor bewoning bestemde gedeelten van dat eigendom. Artikel 5. Meetvoorschrift voor de oppervlakte. 1. De oppervlakte van een gebouwd eigendom wordt gesteld op de som van het aantal volle vierkante meters van de oppervlakte van elke bouwlaag, met dien verstande dat niet in aanmerking wordt genomen: a. de oppervlakte van ruimten, die voor bewoning bestemd zijn; b. enzovoort.''; Overwegende dat het Hof als vaststaande heeft aangemerkt: ‘’In de loop van 1978 is de Gemeente ertoe overgegaan om het winkelcentrum van het gedeelte van de [c-straat] gelegen tussen de [a-straat] en de [b-straat] tot voetgangersgebied in te richten. Daartoe is van gemeentewege in dat deel van de gemeente een sierbestrating aangelegd met sierverlichting en bloembakken. De zuivere inrichtingskosten van deze wijziging, zijnde ± 30% van de totale kosten worden door middel van bovengenoemde baatbelasting geheven van de zakelijk gerechtigden tot de in genoemd gebied gelegen bedrijfspanden of bedrijfsgedeelten van andere panden. Belanghebbende heeft een deel van de door hem bewoonde woning [c-straat 1] verbouwd en als assurantiekantoor ingericht. De aanslag heeft op dit gedeelte betrekking.''; Overwegende dat het Hof het geschil aldus heeft omschreven: ‘’dat partijen verdeeld houdt het antwoord op de vraag of het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door de aangebrachte voorzieningen gebaat is en of de aanslag mitsdien terecht is opgelegd;''; Overwegende dat het Hof omtrent de standpunten van partijen heeft vermeld: ‘’dat partijen elk haar standpunt doen steunen op hetgeen daartoe is aangevoerd in de van haar afkomstige stukken; dat belanghebbende daaraan ter zitting de in zijn pleitnota vermelde argumenten heeft toegevoegd;''; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: ‘’dat feitelijk vaststaat dat de Gemeente, het gedeelte van de [c-straat] waarin belanghebbende woont en waar hij zijn assurantiekantoor heeft, in de loop van 1978 tot voetgangersgebied heeft ingericht en met het oog daarop een sierbestrating heeft aangelegd en deze heeft voorzien van een sierverlichting en van bloembakken; dat in geschil is of het bedrijfsgedeelte van belanghebbendes woning door het aanbrengen van genoemde voorzieningen gebaat is; dat in het algemeen het