Rechtspraak Hoge Raad 1982-12-10
ECLI:NL:HR:1982:AG4498
10 december 1982Eerste KamerReq.nr. 6059AT Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: HEINEKEN BROUWERIJEN B.V.,gevestigd te Amsterdam,VERZOEKSTER tot cassatie,advocaat: Mr. C.J.J.C. van Nispen, t e g e n de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging HEERLENSE KEGELBOND,gevestigd te Heerlen,VERWEERDER in cassatie,advocaat: Mr. H.J. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties Op 16 november 1978 heeft de Kegelbond zich gewend tot de Kantonrechter te Heerlen met het verzoek de huurprijs voor het bedrijfspand aan de Pater Beatusstraat 3 te Heerlen met ingang van 1 februari 1979 nader vast te stellen op f 3.000,— per maand.Nadat Heineken tegen dat verzoek verweer had gevoerd, heeft de Kantonrechter, nadat hij het pand had bezichtigd en een deskundigenrapport had gevraagd en gekregen, bij beschikking van 16 januari 1981 de huurprijs van het pand met ingang van 1 februari 1979 nader vastgesteld op f 2.900,— per maand. Tegen deze beschikking heeft Heineken hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht. Bij tussenbeschikking van 31 augustus 1981 heeft de Rechtbank de deskundige verzocht te harer terechtzitting te verschijnen teneinde de Rechtbank nadere inlichtingen te verstrekken.Bij tussenbeschikking van 5 november 1981 heeft de Rechtbank een descente gelast. Bij eindbeschikking van 4 februari 1982 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en de huurprijs van het pand nader vastgesteld op f 2.300,— per maand met ingang van 1 februari 1979.De beschikkingen van de Rechtbank van 31 augustus 1981 en 4 februari 1982 zijn aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikkingen van de Rechtbank van 31 augustus 1981 en 4 februari 1982 heeft Heineken beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-request is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Kegelbond heeft verzocht het beroep te verwerpen.De conclusie van de Advocaat-Generaal Leijten strekt tot vernietiging van de bestreden beschikkingen en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. 3. Beoordeling van de middelen 3.1. Wanneer bij de toepassing van artikel 1632 a BW blijkt dat vergelijkbare bedrijfsruimte "ter plaatse" niet voorhanden is, zal de rechter vooreerst moeten nagaan of dat elders, doch op een vergelijkbare plaats wèl het geval is. Bij de totstandkoming van de bepaling is tot uitdrukking gebracht dat "het zoeken van vergelijkingspercelen (…) vooral regionaal bepaald zal zijn (Hand. II 1979/1980, blz. 1785). Welke andere plaatsen of andere gebieden de rechter in zijn beschouwing dient te betrekken, hangt af van de aard van het gehuurde en van de verdere bijzonderheden van het gegeven geval.Blijkens haar tussenbeschikking was de Rechtbank van oordeel dat, indien te dezen in de gemeente Heerlen en in "deszelfs woon- en verzorgingsgebied" geen vergelijkbare bedrijfspanden te vinden zouden zijn, "in casu" als "vergelijkbare plaats" in aanmerking komt de regio Oostelijke mijnstreek en in uitzonderingsgevallen de regio Zuid-Limburg tot en met Sittard.Blijkens het vorenstaande geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.Aan haar oordeel dat evengenoemde regio’s als met Heerlen en omgeving vergelijkbaar kunnen worden beschouwd, heeft de Rechtbank klaarblijkelijk ten grondslag gelegd dat, gezien de aard van het gehuurde (een horecapand met kegelbanen), deze gebieden met Heerlen en omgeving "in grote lijnen" gelijkaardig zijn wat betreft "locatie, levensomstandigheden en –gewoonten, maatschappelijke en culturele opvattingen, prijspeil en dergelijke". Aldus oordelende heeft de Rechtbank geen onjuiste maatstaf aangelegd. Dit oordeel behoefde, zeker nu Heineken geen concrete gegevens had aangevoerd omtrent haars inziens vergelijkbare bedrijfsruimte buiten bedoelde regio’s, ook geen nadere motivering.Het eerste middel is derhalve vergeefs voorgesteld. 3.2. Wanneer vervolgens blijkt dat "ter plaatse" en óók binnen het in voege als onder 3.1 bedoeld voor het betrok