Rechtspraak Hoge Raad 1982-03-23
ECLI:NL:HR:1982:AC7574
23 maart 1982 Strafkamer nr. 73.940U JvA Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 17 november 1981 omtrent een verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van: [rekwirant] , geboren te [geboorteplaats] (B.R.D.) op [geboortedatum] 1956, verblijvende te [plaats] . 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [rekwirant] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard in voege als hierna te vermelden. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door [rekwirant]. Namens deze heeft Mr. G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur de navolgende middelen van cassatie voorgesteld: MIDDEL I Verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht in het bijzonder art. 5 U.W. en art. 2 E.U.V. doordien de Rechtbank de uitlevering mede toelaatbaar heeft geoordeeld terzake van het kopen van hashish, hetwelk naar Nederlands recht geen strafbaar feit is, weshalve aan de eis der dubbele strafbaarheid niet is voldaan. TOELICHTING De Officier van Justitie heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting terecht opgemerkt dat kopen van hashish naar Nederlands recht niet strafbaar is. Anders dan de Heer Officier en de Rechtbank is rekwirant in dit verband primair van mening dat het kopen niet gelijk is te stellen aan in voorraad hebben, aangezien dit kopen goed denkbaar is zonder het in voorraad hebben ofwel aanwezig hebben. Subsidiair meent rekwirant dat indien moet worden aangenomen dat kopen van hashish eenzelfde inbreuk op de rechtsorde oplevert als aanwezig hebben en deswege van dubbele strafbaarheid gesproken zou kunnen worden de Rechtbank slechts dan tot dubbele strafbaarheid had kunnen oordelen indien het overzicht van de feiten voldoende aannemelijk doet zijn dat er inderdaad sprake is van strafbaar aanwezig hebben. Wat dit laatste betreft zal in de opgave vermeld in het vonnis van het Amtsgericht te Kaufbeuren van 16 mei 1977 onvoldoende houvast gevonden kunnen worden, nu daarin slechts wordt weergegeven dat rekwirant ongeveer 4 à 5 maal + 15 gram hashish heeft gekocht. In het Haftbefehl gaat het over hoeveelheden van 30 en 27 gram. Ingevolge art. 11 lid 4 Opiumwet is het aanwezig hebben van hashish van ten hoogste 30 gram niet strafbaar. Voorzover dit alles niet kan slagen meent rekwirant dat de Rechtbank in ieder geval onvoldoende de wettelijke bepalingen van Nederlands recht heeft vermeld. Met betrekking tot hashish zijn immers art. 3 jo. 11 Opiumwet van toepassing en deze zijn in de uitspraak niet terug te vinden. MIDDEL II Verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht in het bijzonder art. 28 U.W. doordien de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard terzake van de in de uitspraak van het Amtsgericht Kaufbeuren d.d. 16 mei 1977 genoemde feiten, terwijl het hier niet meer om de feiten maar om de tenuitvoerlegging van een vonnis c.q. strafrestant gaat, zodat ingeval de uitlevering daarvoor toelaatbaar geacht moet worden bepaald had moeten zijn dat de uitlevering uitsluitend strekt ten behoeve van de verdere tenuitvoerlegging van deze uitspraak, hetgeen voortvloeit uit het door de Rechtbank in aanmerking genomen bevel tot gevangenneming van rekwirant afgegeven op 15 januari 1980 door het Landgericht Augsburg. De uitspraak is derhalve niet voldoende met redenen omkleed. Bij pleidooi heeft Mr. Spong: a . de toelichting op het eerste middel aangevuld in dier voege dat achter het woord "strafbaar" in de 21e regel gelezen dient te worden: "als misdrijf" en voorts nog de navolgende aanvulling aangebracht: Verwezen zij in dit verband naar H.R. 7 nov. 1978 N.J. 1979, 188. Bij de vermelding van de toepasselijke bepalingen dient art. 3 lid 1 Opiumwet te worden vermeld. b . als derde middel van cassatie voorgedragen : Verzuim van vormen waarvan niet naleving nietigheid medebrengt en/of schending van het recht in het 4.4 Voormelde uitspraak van het Amtsgericht te Kaufbeuren houdt als weergave van de ten laste van [rekwirant] bewezenverklaarde feiten het volgende in: "1) Der jetzt fast 20-jährige Angeklagte kaufte im Juli/August 1976 in mehreren, nicht mehr einzeln feststellbaren Fällen Heroin von dem Zeugen [betrokkene 4]; die Mengen können nicht mehr festgestellt werden. Nachdem [betrokkene 4] am 25.8.1976 festgenommen worden war, übernahm seine Stelle der Zeuge [betrokkene 5]. Von diesem kaufte der Angeklagte im August/September 1976 in. [geboorteplaats] in etwa drei Fällen für insgesamt 300,- bis 400,- DM Heroin. Die Übergabe des Stoffes erfolgte in der damaligen Wohnung des Angeklagten in [geboorteplaats], [c-straat] oder in einem der einschlägigen [geboorteplaats] Lokale. 2) Im Oktober/November 1976 kaufte der Angeklagte von dem Zeugen [betrokkene 5] in etwa vier bis fünf Fällen insgesamt etwa 15 g Haschisch zu einem Grammpreis von 6, - DM". 5. De bestreden uitspraak 5.1 De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [rekwirant] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard "op grond van de hiervoor in het bevel tot aanhouding, afgegeven door de Ermittlungsrichter bij het Amtsgericht Kempten/Allgäu d.d. 8 juli 1981 en de in de uitspraak van het Amtsgericht Kaufbeuren (BRD) d.d. 16 mei 1977 genoemde feiten". 5.2 In verband met deze beslissing heeft de Rechtbank - voor zover in cassatie van belang - het navolgende overwogen: "dat de in het bevel tot aanhouding, afgegeven door de Ermittlungsrichter bij het Amtsgericht Kempten/Allgäu op 8 juli 1981 genoemde feiten strafbaar zijn gesteld bij de paragrafen 9 en 11 Absatz 1 van het "Betäubungsmittelgesetz, terwijl die feiten in de Nederlandse Opiumwet zijn te kwalificeren als opzettelijke overtreding van artikel 2 juncto artikel 10 van die Wet; dat de in de uitspraak van het Amtsgericht Kaufbeuren genoemde feiten strafbaar zijn gesteld bij de paragrafen 1 Absatz 1, 11 Absatz 1 en 9 van het Betäubungsmittelgesetz, terwijl die feiten in de Nederlandse Opiumwet eveneens zijn te kwalificeren als opzettelijke overtreding van artikel 2 juncto 10 van die Wet; dat in beide landen een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd; dat de rechtbank op grond van het vorenstaande van oordeel is dat aan het door artikel 2 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Parijs, 13 december 1957) gestelde vereiste van dubbele strafbaarheid is voldaan, zodat de uitlevering van voornoemde [rekwirant] toelaatbaar kan worden verklaard". 6. Beoordeling van het eerste middel 6.1 De Rechtbank heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat blijkens het hiervoren onder 4.3 bedoelde Haftbefehl [rekwirant] wordt verdacht van: "het - kort weergegeven - verkopen en/of afleveren van een hoeveelheid heroïne op een of meer tijdstippen in de jaren 1977/ 1978 te Dösingen (BRD) , het kopen van heroïne en/of hashish in de maand juni 1979 te Lauben (BRD) en het kopen van heroïne in de maanden juni en juli 1979 te [geboorteplaats] (BRD) ", onderscheidenlijk dat hij bij de onder 4.4 vermelde uitspraak is veroordeeld terzake van: "het kopen van heroïne te [geboorteplaats] (BRD) in juli, augustus en september 1976 en het kopen van een hoeveelheid hashish in de maanden oktober en november 1976". 6.2 De Rechtbank heeft echter geen blijk gegeven de dubbele strafbaarheid te hebben onderzocht van de in die stukken omschreven gedragingen met betrekking tot de op de bij de Opiumwet behorende lijst II vermelde middelen. 6.3 Mitsdien is de beslissing tot toelaatbaarverklaring der gevraagde uitlevering in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel, - voor zover het daarover beoogt te klagen - gegrond is. 6.4 De bestreden uitspraak kan derhalve te dien aanzien niet in stand blijven en de Hoge Raad zal - na vernietiging van de uitspraak in zoverre - hebben te doen wat de Rechtbank had behoren te doen. 7. Beoordeling van het tweede en het derde middel 7.1 De Rechtbank heeft in de bestreden uits