Rechtspraak Hoge Raad 1981-12-15
ECLI:NL:HR:1981:AJ4838
22 december 1981 Strafkamer nr. 73.263 E.H. Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 26 november 1980 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937, wonende te [woonplaats] 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Heerlen van 1 oktober 1979 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding telastegelegde. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de Verkeersschout bij het Arrondissementsparket te Maastricht. Deze heeft het navolgende middel van cassatie voorgesteld: Schending van het recht en/of verkeerde toepassing, met name van de artikelen I: 348; 350; 352; 358; 359 en 425 Wetboek van Strafvordering II: 1 lid 1 sub 1º en 2 Wegenverkeerswet III: 6 en 46 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens doordien de Rechtbank bij de beraadslaging en beslissing tot vrijspraak van het de verdachte telastegelegde is uitgegaan van con onjuiste (immers met de wetstrijdige) opvatting van het in de telastelegging gestelde begrip "weg" welk begrip moet worden geacht aldaar te zijn gebruikt in dezelfde zin als welke daaraan toekomt in artikel 46 R.V.V. en mitsdien heeft de Rechtbank niet beraadslaagd op de grondslag der telastelegging, zodat de gegeven vrijspraak niet is een vrijspraak als bedoeld in artikel 450 lid 1 Wetboek van Strafvordering. Toelichting: Verdachte is verweten dat hij rijdende over de hoofdrijbaan van de Welterlaan, zijnde een autoweg bestaande uit twee maal twee rijstroken gescheiden door een middenberm, naar rechts, in de richting van de oprit van de Keulseweg is afgeslagen, waarbij hij een bestuurder van een bromfiets welke reed over een rechts naast genoemde hoofdrijbaan en middels een, blijkens de situatieschets, smalle berm daarvan gescheiden ventweg, heeft gehinderd. Voor het verkeer rijdende over genoemde ventweg en naderende de kruising met de oprit van de Keulseweg is geplaatst bord 9 bijl. II R. V. V. Volgens het bestreden vonnis van de Rechtbank is bij besluit van Burgemeester en Wethouders van Heerlen de eerdergenoemde hoofdrijbaan aangeduid als voorrangsweg en de onderhavige ventweg niet, terwijl op de kruising van de oprit tot de Keulseweg en deze ventweg, de voorrang is geregeld, zodanig dat het verkeer op de oprit voorrang geniet. Reeds hierom aldus de rechtbank is er met betrekking tot de hoofdrijbaan en de ventweg van de Welterlaan sprake van twee wegen, en is de voorrang geregeld. Daar er geen sprake is van dezelfde weg als bedoeld in artikel 46 R.V.V. is de verdachte daarop vrijgesproken. Voor de vaststelling of er sprake is van één of twee afzonderlijke wegen is echter slechts van belang de feitelijke situatie zoals deze zich van de weggebruiker toont, en deze voor de gemiddelde weggebruiker duidelijk is, en niet het besluit van B en W. tot aanwijzing van de hoofdrijbaan tot voorrangsweg en de ventweg niet als zodanig. In deze geest is ook het arrest van uw Raad d.d. 6 december 1977 (NJ 78-580): Wanneer de bebording in strijd is met het daaraan ten grondslag liggende besluit van B en W, geldt voor de weggebruiker de feitelijke situatie. (deze is immers voor iedereen kenbaar.) Indien slechts de hoofdrijbaan als voorrangsweg is aangenomen en de ventwegen niet, noopt dit niet tot de beslissing "dat er reeds hierom sprake is van twee wegen" zoals de Rechtbank deed. In het arrest van uw Road van 31 oktober 1958 (NJ 59-29) is reeds vastgesteld dat een als voorrangsweg aangeduide hoofdrijbaan en niet als zodanig aangeduide ventweg, deel kunnen uitmaken van één weg. In de onderhavige situatie was nog sprake van "van richting veranderen" door het voertuig van verdachte; De voorgenomen richting verandering was, mede blijkens de situatieschets, nog niet voltooid en er was nog niet enige afstand in de nieuwe richting afgelegd, welk vereiste blijkt uit de arresten van uw Raad van 24 j Telastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte telastegelegd: dat hij in de gemeente Heerlen op of omstreeks 17 oktober 1978 als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) daarmede over de voor het openbaar verkeer openstaande weg de Welterlaan toen hij rechts afsloeg in de richting van de rechts van hem gelegen voor het openbaar verkeer openstaande weg de oprit van de Keulseweg de bestuurder van een bromfiets, die hem, verdachte, op eerstgenoemde weg was achteropgekomen en zich naast hem, verdachte, bevond, althans zich rechts dicht achter hem, verdachte, bevond, heeft gehinderd; Ter motivering van de gegeven vrijspraak heeft de Rechtbank het navolgende overwogen: dat de Rechtbank niet wettig en overtuigd bewezen acht, hetgeen aan verdachte is te laste gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken; dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat verdachte in de gemeente Heerlen op 17 oktober 1978 met het door hem bestuurde motorrijtuig rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de als autoweg aangeduide Welterlaan en gekomen nabij de ongelijkvloerse kruising van deze weg met de Keulseweg naar rechts is afgeslagen teneinde de oprit naar die Keulseweg te gaan berijden op een moment dat tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd een over de parallelweg, gelegen langs de autoweg Welterlaan - een zogenaamde ventweg - rijdende bromfietser de kruising van die parallelweg of ventweg met de afslag naar rechts van de Welterlaan/oprit van voornoemde Keulseweg was genaderd; dat aan verdachte in prima is ten lastegelegd - zakelijk- dat hij een bromfietser die zich op de Welterlaan naast, althans dicht achter hem, vond heeft gehinderd hetgeen zou opleveren overtreding van artikel 46 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens; dat; daargelaten de vraag of in het ten laste gelegde wel voldoende duidelijk is omschreven waar de bestuurder van de bromfiets heeft gereden over de Welterlaan, die door verdachte werd bereden, uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bedoelde bestuurder van de bromfiets heeft gereden over een naast genoemde Welterlaan lopende parallelweg of ventweg; dat zich bij de processtukken bevindt en zijdens de verdediging in het geding is gebracht een besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heerlen d.d. 13 maart 1972, volgens welk besluit onder meer de hoofdrijbaan (autoweg) is aangeduid als voorrangsweg (II b) en bedoelde ventweg niet is aangeduid als voorrangsweg, waarbij de punten van samenkomst van de ventweg met de als autoweg aangeduide toe- en afritten naar de Keulseweg als voorrangskruising worden aangemerkt (II e); dat reeds hierom moet worden aangenomen dat er sprake is van twee aparte wegen waarvan voorrang uitdrukkelijk is geregeld door middel van plaatsing van bord 9, daarbij in het midden latende hoe deze plaatsing ten tijde van het gebeurde was uitgevoerd; dat op voormelde grond de in de telastelegging bedoelde Welterlaan niet kan worden beschouwd als een weg waarop zonder meer de regeling van artikel 46 van het Reglement verkeersregels en, verkeerstekens betrekking heeft, zodat in dit geval niet als wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het hem telastegelegde heeft gepleegd en hij derhalve daarvan behoort te worden vrijgesproken; 5. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 5.1 Nu het beroep is gericht tegen een vrijspraak, moet de Hoge Raad, gelet op het bepaalde in artikel 430, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, vooreerst beoordelen of de Verkeersschout in dat beroep kan worden ontvangen. 5.2 Daartoe dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere is dan die bedoeld in evengenoemde wetsbepaling, hetgeen onder meer het geval zou zijn indien het Hof zou hebben vrijgesproken van iets anders dan het telastegelegde. 5.3 Het vorenstaande brengt mee dat eerst dient te worden onderzocht of de Rechtbank is uitgegaan van een o