Rechtspraak Hoge Raad 1980-03-07
ECLI:NL:HR:1980:AB7443
7 maart 1980 J.O. De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. 11.533 van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 februari 1979, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 29 juni 1979, vertegenwoordigd door Mr. H.D.O. Blauw, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E. Korthals Altes, eveneens advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar een ander hof en met veroordeling van verweerder in cassatie in de op de voorziening gevallen kosten; Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit het volgende blijkt: Bij exploot van 23 april 1976 heeft eiser tot cassatie — [eiser] — de verweerder in cassatie — [verweerder] — gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden en zijn veroordeling gevorderd tot betaling van ƒ 98.684,--, daartoe onder meer, zakelijk weergegeven, stellende: dat hij op 12 augustus 1971 liep door een bij [verweerder] in gebruik zijnd weiland en toen werd aangevallen door een aan [verweerder] in eigendom toebehorende stier, dat hij daarbij letsel heeft opgelopen waardoor hij blijvend invalide is geworden, en dat op grond van artikel 1404 van het Burgerlijk Wetboek [verweerder] aansprakelijk is voor de schade ten bedrage van ƒ 98.684,--. Na verweer van [verweerder] heeft de Rechtbank bij vonnis van 2 december 1976 de vordering van [eiser] afgewezen, daartoe onder meer overwegende: ‘’1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende weersproken, het navolgende vast: a. In een aan [verweerder] toebehorend afgesloten weiland liepen op 12 augustus 1971 een aantal aan [verweerder] in eigendom toebehorende stierkalveren. b. Door dat weiland liep een reed, die door een viertal gebruikers van aangrenzend land, waaronder [eiser] , werd gebruikt. c. Op genoemde datum is [eiser] van achteren door een van die stierkalveren aangevallen, waardoor hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. 2. [eiser] vordert op grond van bovenstaande feiten, alsmede stellende dat [verweerder] als eigenaar van de stier aansprakelijk is voor de door dat dier veroorzaakte schade, van [verweerder] een schadevergoeding van ƒ 98.684,--, volgens de navolgende specificatie, enz. 3. In de procedure, welke het Algemeen Provinciaal Fries Ziekenfonds te Leeuwarden als eiser tegen [verweerder] heeft gevoerd betreffende de door dat ziekenfonds ter zake van hetzelfde ongeval geleden schade, heeft het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 26 juni 1974 een deskundigenonderzoek gelast met betrekking tot de navolgende vragen: "a. Treft uit het oogpunt van de veiligheid van degenen die recht van overpad hebben over een afgesloten weiland de houder/eigenaar van een aantal stieren, waarvan de oudste nog geen acht maanden oud is, geen verwijt, wanneer hij deze stieren in groepsverband in dat weiland los laat lopen? b. Indien de vraag sub 1 niet in het algemeen beantwoord kan worden: Moet uit het oogpunt als voormeld van de aldaar bedoelde houder/eigenaar van een aantal stieren als daar bedoeld worden verlangd, dat hij zich op de hoogte stelt van de eigenschappen van elk der tot de groep behorende dieren en van die eigenschappen laat afhangen de mate waarin hij elk dier bij het laten weiden in groepsverband meerdere of mindere vrijheid laat?" 4. De deskundigen hebben de vraag sub a, nog overwegende dat in artikel 28 sub 1 van de Politieverordening van de [woonplaats] is vermeld, dat het verboden is stieren ouder dan 1 jaar in landerijen te laten loslopen of op zodanige plaats of wijze vast te zetten, dat zij een weg kunnen bereiken, ontkennend beantwoord. 5. Bij arrest van 29 oktober 1975 heeft het Gerechtshof zich verenigd met het oordeel van de deskundigen en vastgesteld, dat [verweerder] nie De heersende opvatting als ook neergelegd in artikel 6.3.11 Ontwerp NBW (artikel 6.3.2.8. Gewijzigd Ontwerp NBW) — welk artikel het thans en in 1971 reeds (op dit punt) geldende Nederlands recht weergeeft — is dat op de eigenaar/houder van een dier een risico-aansprakelijkheid rust voor door het dier veroorzaakte schade, dat wil zeggen dat hij (in principe) ook aansprakelijk is voor de schade die het dier veroorzaakt wanneer hem ter zake geen (enkel) verwijt te maken valt. Het Hof had ambtshalve, ook al gingen partijen (ten onrechte) uit van slechts een schuldvermoeden aan de zijde van [verweerder] , van diens risico-aansprakelijkheid uit moeten gaan en de vordering van [eiser] in het licht van die risico-aansprakelijkheid moeten beoordelen (en toewijzen). Door dat niet te doen heeft het Hof het Nederlands recht geschonden."; Overwegende omtrent dit middel: Het eerste onderdeel bestrijdt de opvatting van het Hof dat artikel 1404 van het Burgerlijk Wetboek voor het geval dat schade wordt veroorzaakt door een dier, niet méér doet dan een wettelijk vermoeden van schuld aan de zijde van de eigenaar van het dier of van degene die er zich van bedient in het leven te roepen. De door het onderdeel bestreden opvatting is in overeenstemming met een reeks van uitspraken van de Hoge Raad, te beginnen met het arrest van 15 oktober 1915, Nederlandse Jurisprudentie 1915, 1071. Deze rechtspraak heeft van het begin af aan een vrij algemene kritiek ondervonden, en in een aantal in eerste aanleg gewezen uitspraken is de opvatting van de Hoge Raad dan ook niet gevolgd. In het door de Tweede Kamer van de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerp tot vaststelling van Boek 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek voorziet artikel 6.3.2.8 in aansprakelijkheid voor de door een dier aangerichte schade, zonder dat de aansprakelijke persoon zich aan die aansprakelijkheid kan onttrekken door te bewijzen dat hem ter zake van de veroorzaking van de schade geen schuld treft. Bij een heroverweging van het tot dusver door de Hoge Raad ingenomen standpunt dient voorop te worden gesteld dat de tekst van artikel 1404 geen aanwijzing bevat, laat staan ertoe dwingt, om aan te nemen, dat de eigenaar, respectievelijk degene die zich van het dier bedient, zich van aansprakelijkheid voor door het dier veroorzaakte schade kan bevrijden door te bewijzen dat hem ter zake daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. In het eerder genoemde arrest 1915 heeft de Hoge Raad zijn beslissing dan ook gebaseerd op argumenten van wets- en rechtshistorische aard. Aan zulke argumenten kan echter thans met betrekking tot een aansprakelijkheidsregel als waar het hier om gaat, een regel die in het begin van de vorige eeuw tot stand is gekomen, geen beslissende betekenis worden toegekend. Belangrijker is de ontwikkeling van de opvattingen met betrekking tot de vraag bij wie het risico behoort te liggen voor schadetoebrenging door dieren die door mensen worden gehouden, een ontwikkeling die is uitgemond in de totstandkoming van het eerder vermelde artikel 6.3.2.8. van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze overwegingen moet worden aangenomen dat de eigenaar van een dier, die uit hoofde van artikel 1404 wordt aangesproken voor door het dier veroorzaakte schade, zich niet aan aansprakelijkheid kan onttrekken door te bewijzen dat hij niet te kort is geschoten in de zorg en waakzaamheid met betrekking tot het dier die van hem konden worden gevergd. Het voorgaande doet niet af aan de mogelijkheid voor degeen die uit hoofde van dat artikel aansprakelijk wordt gesteld, om zich te beroepen op eigen schuld van de benadeelde partij en, in geval van dood of letsel, op de wederzijdse stand en fortuin der partijen en op andere omstandigheden die krachtens artikel 1406 en 1407 van belang kunnen zijn voor de waardering van de te vergoeden schade. Uit het tot dusver overwogene volgt dat het eerste onderdeel terecht is voorgesteld, zodat de twee andere onderdelen geen bespreking behoeven en 's Hofs arrest ve