Rechtspraak Hoge Raad 1979-02-07
ECLI:NL:HR:1979:AX3000
7 februari 1979 nr. 18.954 AdJ. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 januari 1978 betreffende de aan [X] te [Z] opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1973; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1973 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.637.174,--, na vergeefs bezwaar bij de Inspecteur van diens uitspraak in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof de vaststaande feiten en de omvang van het geschil tussen partijen als volgt heeft omschreven: ‘’Belanghebbende, geboren in 1920 en in het onderhavige jaar zonder beroep, bouwde in de loop van de jaren een vermogen op dat volgens zijn aangifte voor de vermogensbelasting op 1 januari 1974 ruim f 17.000.000,-- bedroeg. Belanghebbende verkocht medio 1972 de aandelen in een door hem gestichte en onder zijn leiding tot bloei gebrachte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid voor rond f 32.000.000,--, welk bedrag hij op zijn rekening bij de Nederlandse Credietbank N.V. (de Credietbank) stortte. Nadat belanghebbende de verschuldigde belastingen en diverse kosten had betaald, resteerde op genoemde rekening een saldo van rond f 20.000.000,--. Hiervan belegde hij vervolgens circa f 15.000.000,-- in effecten en onroerende goederen. Op 14 februari 1973 werd volgens een nota van de Credietbank aan belanghebbende de dato 15 februari 1973 - van welke nota een fotocopie als bijlage van het vertoogschrift tot de stukken behoort - voor hem gekocht casu quo aan hem toegewezen de blote eigendom van f 5.000.000,-- 7 1/4% rentende 7-jarige pandbrieven, serie A, uitgegeven door de Tilburgsche Hypotheekbank N.V. en af te lossen op 15 februari 1980 (de pandbrieven). De pandbrieven, waarop vervroegde aflossing is uitgesloten, hebben elk een nominale waarde van f 100.000,-- en dragen respectievelijk de nummers 1 tot en met 50. De coupons vervallen jaarlijks op 15 februari. Belanghebbende betaalde van de blote eigendom van de pandbrieven een prijs van f 3.553.406,65 en was ter zake van deze transactie in totaal f 38.926,59 verschuldigd wegens kosten en beursbelasting. De genoemde prijs is gelijk aan de tegen een samengestelde rente van 5% per jaar contant gemaakte waarde van f 5.000.000,-- over 7 jaar. Belanghebbende financierde de transactie met eigen vermogen. Tot de bijlagen van het vertoogschrift behoort een copie van een onderhandse akte van 23 februari, waarvan de zakelijke inhoud aldus luidt: ‘’ ‘’De Nederlandse Credietbank N.V. te Amsterdam, hierna te noemen ‘’de bank'' [A] B.V. te [Q], hierna te noemen ‘’[A]’’ komen overeen: 1. De bank vestigt ten behoeve van [A] het recht van vruchtgebruik op de navolgende schuldbekentenissen: 50 a f 100.000,-- 7 1/4% 7-jarige pandbrieven Tilburgse Hypotheekbank, ingaande 1973 serie A no's 1 t/m 50, 50 a f 100.000,-- 7 1/4% 7-jarige pandbrieven Tilburgse Hypotheekbank, ingaande 1973 serie B no's 1 t/m 50. 2. De vruchtgebruiker heeft niet het recht van beheer over de schuldbekentenissen, waarop het vruchtgebruik is gevestigd. De blooteigenaar is niet verplicht om zekerheid te stellen. 3. Levering van het vruchtgebruik geschiedt middels de overdracht door de bank aan [A] van de couponbladen van ad 1. genoemde schuldbekentenissen dragende dezelfde nummers als die schuldbekentenissen. 4. Als vergoeding voor de vestiging van het vruchtgebruik betaalt [A] aan de bank een bedrag groot f 3.529.603,60.'' ''; [B] B.V. is een 100%-dochtermaatschappij van de Credietbank en alle aandelen van [A] B.V. zijn eigendom van [B] B.V.. Belanghebbende had bij het einde van het onderhavige jaar nog steeds de blote eigendom van de pandbrieven. De mantels van de pandbrieven werden door de Credietbank in bewaring gehouden. De aanslag is naar onderstaande berekening opgelegd: aangegeven belastbaar inkomen, waarin niets is begrepen ter z Begin 1973 leidde het overleg tussen belanghebbende en zijn adviseurs tot het besluit het vermogen zoveel mogelijk te beleggen in waardevaste objecten en het risico zoveel mogelijk te beperken. Bij deze beslissing speelde uiteraard ook een rol het feit dat over opbrengsten inkomstenbelasting moet worden betaald en over waardestijgingen niet. In dit kader past de aankoop van de blote eigendom van de pandbrieven. Belanghebbende had nimmer de volle eigendom van deze stukken; hij had geen enkele bemoeienis met de vestiging van het vruchtgebruik en winst - vóór lezing van het vertoogschrift - niet wanneer en door wie dit recht werd gevestigd. Het kiezen voor opbrengstloos vermogen kan niet leiden tot belastingheffing alsof wel opbrengsten zouden zijn genoten. Aan de Nederlandse belastingwetgeving ligt niet het systeem ten grondslag dat fictief inkomen wordt belast. Er is geen sprake van een schijnhandeling: belanghebbende verkrijgt de vruchten niet en kan deze ook niet verkrijgen. Er is in casu evenmin sprake van handelen in fraudem legis: de vorm van aankoop van blote eigendom is niet gekozen om aldus het betalen van belasting over de vruchten te voorkomen, doch uitsluitend om een object te verwerven dat na een aantal jaren meer waard zal zijn dan het op het moment van aankoop was, althans in guldens uitgedrukt. Er is geen wezenlijk verschil tussen de aankoop van de blote eigendom van pandbrieven en, bij voorbeeld, de aankoop van laag rentende obligaties of de aankoop van aandelen in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid welke winst maakt maar deze niet uitkeert. Subsidiair. Indien de waardestijging van de blote eigendom van de pandbrieven wordt aangemerkt als vrucht, dienen de normale regels voor het belasten van vruchten te worden toegepast en dienen deze vruchten te worden belast voor zover ze zijn gerijpt tijdens het bezit van belanghebbende. Het belastbare inkomen bedraagt dan f 397.237,--. Meer subsidiair. Belanghebbende verzoekt toepassing van het proportionele tarief voor het geval tot het belastbare inkomen over het onderhavige jaar wordt gerekend het verschil tussen f 5.000.000,-- en de door belanghebbende betaalde prijs, inclusief de kosten. Het belastbare inkomen bedraagt dan f 1.598.247,90, waarvan belast naar het proportionele tarief f 1.407.666,76;''; Overwegende dat het Hof omtrent het geschil heeft overwogen: ‘’dat belanghebbende in het onderhavige jaar de blote eigendom van de pandbrieven kocht en de bedongen prijs uit eigen vermogen betaalde, terwijl hij bij het einde van het onderhavige jaar de blote eigendom van deze pandbrieven nog had; dat de Inspecteur van oordeel is dat, gelet op de onder de vaststaande feiten vermelde omstandigheden en in aanmerking genomen het algemene leerstuk van de wetsontduiking, de berekening van het belastbare inkomen over het onderhavige jaar dient te geschieden alsof belanghebbende de volle eigendom van de pandbrieven had gekocht en onmiddellijk daarna het tijdelijk recht van vruchtgebruik daarvan had verkocht, op grond waarvan de Inspecteur stelt dat belanghebbende in casu inkomsten uit vermogen genoot ten bedrage van het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de pandbrieven de beurskoers en de door hem betaalde prijs, inclusief de kosten, voor de blote eigendom; dat dit oordeel evenwel onjuist is; dat de fiscale gevolgen, welke zouden zijn ingetreden indien belanghebbende de volle eigendom van de pandbrieven zou hebben gekocht en hij onmiddellijk daarna een tijdelijk recht van vruchtgebruik op deze pandbrieven zou hebben gevestigd - onverschillig welke gevolgen dit zouden zijn geweest - er niet toe kunnen leiden dat belanghebbende in het onderhavige jaar zou moeten worden belast voor inkomsten welke hij in dit jaar niet genoot; dat immers in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor zover thans van belang, is bepaald dat inkomsten worden beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop zij ontvangen of v De Staatssecretaris is van oordeel, dat het kopen van blote eigendom als in het onderhavige geval in economische zin niet verschilt van het kopen van volle eigendom onder gelijktijdige verkoop van een tijdelijk recht van vruchtgebruik, en in fiscale zin daarmede dient te worden gelijkgesteld. Zulks geldt te meer waar het hier betreft een voor betrekkelijk korte tijd (7 jaar) gevestigd vruchtgebruik: de verwerving van de volle eigendom ligt dan in een zo nabij verschiet, dat voorwerp van de overeenkomst naar maatschappelijke opvatting is de volle eigendom der pandbrieven, gekocht tegen beurswaarde onder toekenning van een korting wegens tijdelijk gemis van de vruchten. Het in deze korting gelegen voordeel, dat gelijk is aan de contante waarde der vruchten gedurende de looptijd van het vruchtgebruik vormt de tegenwaarde voor het door de verkoper voorbehouden (en bij een gelieerde onderneming ondergebrachte) vruchtgebruik: dit voordeel dient gerekend te worden tot de door belanghebbende uit die pandbrieven genoten inkomsten. Doel en strekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zouden worden miskend, indien de onderhavige bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen bij belanghebbende niet tot belastbare vermogensopbrengsten zou leiden. Naar de mening van de Staatssecretaris dient het door belanghebbende op bovenomschreven wijze behaalde voordeel tot diens belastbare inkomen gerekend te worden in het jaar waarin de aankoop der pandbrieven is geschied. In dat jaar geniet hij de tegenwaarde van de rentetermijnen bij vooruitbetaling, doordat de contante waarde dier termijnen bij de bepaling van de aankoopprijs met de beurswaarde der pandbrieven wordt verrekend. Ter adstructie van het bovenstaande moge de Staatssecretaris verwijzen naar de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 september 1968, nummer 44/1968 MI, BNB 1969/211; het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1969, rolnummer 16.172, BNB 1969/212 en de uitspraak van het Gerechtshof te 's- Gravenhage van 18 oktober 1977, waartegen onder rolnummer 18.788 beroep in cassatie is ingesteld. Ad subsidiair: Deze stelling gaat uit van de gedachte dat de onderhavige bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen jaarlijks tot uitdrukking komt in de waardestijging van de blote eigendom der pandbrieven ten gevolge van het op betrekkelijk korte termijn naderende einde van het recht van vruchtgebruik. Deze bate is door de Inspecteur op tijdsevenredige wijze berekend op f 198.045,52.''; Overwegende omtrent dit middel: dat het middel blijkens de toelichting berust op de opvatting, dat doel en strekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zouden worden miskend, indien de onderhavige ‘’bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen'' bij belanghebbende niet tot belastbare vermogensopbrengsten zou leiden, en dat daarom voor de toepassing van die wet het kopen van blote eigendom als in het onderhavige geval dient te worden gelijkgesteld met het kopen van volle eigendom onder gelijktijdige verkoop van een tijdelijk recht van vruchtgebruik; dat die opvatting niet kan worden aanvaard; dat immers naar het stelsel van de Wet heffing van inkomstenbelasting over de opbrengst van schuldvorderingen zoals de onderhavige pandbrieven, pleegt plaats te vinden, doordat de gerechtigde tot de rentetermijnen - gesteld deze zijn niet tot enig ondernemingsvermogen gaan behoren - deze na betaling door de schuldenaar van die termijnen tot zijn inkomsten uit vermogen dient te rekenen; dat daarnaast volgens dat stelsel - afgezien van het hier niet rechtstreeks van belang zijnde artikel 27, waarin een bijzondere regeling is gegeven voor vervreemding van lopende termijnen van inkomsten - heffing mogelijk is in geval van verkoop van nog niet lopende rentetermijnen, en wel aldus, dat alsdan door de werking van artikel 31, lid 1, de koopsom bij de verkoper kan worden belast, terwijl de koper - gesteld hij handelt niet in de uitoefening van een onderneming - de opbrengst van de tezi