Rechtspraak Hoge Raad 1979-02-07
ECLI:NL:HR:1979:AX2911
7 februari 1979 nr. 19.071 AdJ. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 mei 1978 betreffende de aan [X] , laatstelijk gewoond hebbende te [Z] , en overleden op […] 1977, opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1972; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest, strekkende tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar hetzelfde of een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing; Gezien de stukken; Overwegende dat aan wijlen [X] een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1972 is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 709.601,--, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar door de Inspecteur is gehandhaafd, waarna de erven van [X] voornoemd van de uitspraak van de Inspecteur in beroep zijn gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof de vaststaande feiten en het tussen partijen bestaande geschil als volgt heeft weergegeven: ‘’Erflater (hierna: belanghebbende), geboren 20 september 1920 en overleden […] 1977, was in 1972 directeur van [A] B.V. en [B] B.V.. Hij kocht op 30 en 31 oktober 1972 tegen een koers van 83% de mantels van f 1.200.000,-- nominaal 8% obligaties Unilever 1970-1975 voor een bedrag van f 1.005.531,--, waarvan aan leveringskosten, provisie en beursbelasting f 9.531,--, welke aankopen geheel werden gefinancierd met een van een bank verkregen lening. De 8% obligatielening Unilever 1970-1975, ten aanzien waarvan geen gehele of gedeeltelijke vervroegde aflossing was toegestaan, is op 1 december 1975 in haar geheel a pari afgelost. Bij aflossing werd aan belanghebbende, die de mantels tot de aflossingsdatum in zijn bezit heeft gehouden, afgezien van kosten en provisie, een bedrag van f 1.200.000,-- uitbetaald. Belanghebbendes gemachtigde en diens medevennoten hebben eveneens mantels van obligaties van voormelde lening gekocht. De mantels zijn betrokkenen aangeboden door het commissionairskantoor [C] te [Q] , lid van de Vereniging voor de Effectenhandel. De desbetreffende nota's - voor belanghebbende genummerd B nummer 35606 en 35609, voor de gemachtigde B nummer 35603 - hebben als valutadatum 1 november 1972 en behelzen voorts alle de aanduiding ‘’Nota voor nummer 10000''. Op de nota's is de aankoop - afgezien van de bedragen - op overeenkomstige wijze omschreven. Zo luidt effectennota B nummer 35606: ‘’ ‘’Voor u gekocht: De mantels van: f 1.000.000,-- 8% obligaties Unilever 1970 af coupons a 8% f 830.000,--.'' ''. De beurskoers van een 8% obligatie Unilever 1970-1975 met coupons bedroeg omstreeks 1 november 1972 103%. Bij het regelen van de aanslag in de inkomstenbelasting over 1972 heeft de Inspecteur het verschil tussen de beurswaarde van de volledige obligaties (103%) en voor de mantels betaalde prijs (83%), derhalve 20% van f 1.200.000,-- dit is f 240.000,-- als opbrengst van vermogen in de heffing van de inkomstenbelasting betrokken. Hij acht dit - zijn primaire - standpunt ook thans nog juist. Subsidiair en meer subsidiair heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld, dat een bedrag van 2/37 onderscheidenlijk 1/37 van f 240.000,--, dit is (afgerond) f 12.973,-- onderscheidenlijk f 6.486,-- tot belanghebbendes inkomen moet worden gerekend. Belanghebbende acht deze standpunten onjuist. Hij is primair van mening, dat hij in 1972 niet het bedrag van f 240.000,-- heeft genoten. Zo dit bedrag wel in zijn inkomen zou moeten worden begrepen, is belanghebbende van mening, dat daarop in mindering moet worden gebracht het in de koers van 103% begrepen agio van 3% van f 1.200.000,-- of f 36.000,-- en voorts, de op de aankoop van de mantels gevallen kosten van f 9.531,--. Op het bedrag van f 240.000,-- - f 36.000,-- - f 9.531,--, dit is f 194.469,--, zal dan zijns inziens het in artikel 57, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: ‘’de Wet'') bedoelde bijzondere tarief moeten worden toegepast Zo de aankoopkosten ten bedrage van f 9.531,-- niet geheel in aftrek kunnen worden gebracht, zal rekening moeten worden gehouden met een aftrek van 20/103 x f 9.531,--. In de subsidiaire en meer subsidiaire opvatting van de Inspecteur wordt de waardestijging aan de desbetreffende jaren toegerekend. Deze opvattingen zijn echter in strijd met het bepaalde in artikel 33 van de Wet; dat de Inspecteur daartegenover het volgende heeft aangevoerd: Voor de heffing van de inkomstenbelasting mag geen verschil worden gemaakt tussen de koop van de mantels of bloot eigendom van de obligaties en de koop van de volle eigendom van de obligaties gevolgd door de verkoop van de coupons of het tijdelijk vruchtgebruik van die stukken. Deze ‘’ ‘’verkoop van het recht van vruchtgebruik'' '' voor een korte periode is niet een in de onbelaste vermogenssfeer liggende uitholling van het eigendomsrecht, doch is aan te merken als een bijzondere vorm van rendabel maken van vermogen, zulks mede gelet op de wijze waarop belanghebbende geld leent om dit te doen beleggen in gekunsteld gecreëerde vermogenswaarden zoals mantels van obligaties ten einde daarmede een zeker (dat wil zeggen: niet-speculatief) voordeel te behalen. Gemeend wordt, dat hier niet sprake is van inkomsten in de zin van artikel 22, eerste lid, letter b, van de Wet, doch van vermogensinkomsten. Met betrekking tot het tijdstip van belastbaarheid van het ten gevolge van de transactie genoten voordeel zijn verschillende opvattingen mogelijk. Voor het jaar 1972 wordt primair het standpunt ingenomen, dat belanghebbende op het tijdstip waarop de mantels werden gekocht voor het voordelige verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de volle eigendom van de obligaties (de beurskoers van 103%) en de door hem betaalde prijs voor de mantels (koers 83%), derhalve voor een bedrag van f 240.000,--, in de heffing van de inkomstenbelasting moet worden betrokken. Belanghebbende behoudt de eigendom van de obligaties: de vruchten geniet hij evenwel vervroegd, omdat hij het recht op die (toekomstige) vruchten heeft verkocht, althans omdat hij een korting op de koopprijs heeft verkregen ter grootte van de contante waarde van die vruchten. Doel en strekking van de wet zouden worden miskend, indien aan de koop van de mantels of de blote eigendom van de obligaties of aan de verkoop van het tijdelijk vruchtgebruik van die stukken ten aanzien van belanghebbende andere fiscale gevolgen zouden moeten worden verbonden dan die welke voortvloeien uit het vervroegd genieten van de nog te verschijnen rentetermijnen. De aankoopkosten zijn geen op de hiervoor bedoelde inkomsten drukkende kosten. Zij behoren tot de aanschaffingskosten van een bron van inkomen, die op een bijzondere wijze opbrengsten oplevert. De opvatting van belanghebbende dat het koersaccres boven pari nimmer door hem zal worden genoten, is onjuist, omdat deze opvatting voorbijgaat aan de vraag of hij - belanghebbende - niet tussentijds zijn mantels zou hebben kunnen vervreemden. Van een onder artikel 31, eerste lid, van de Wet vallende bate is geen sprake, nu hier sprake is van een bijzondere wijze van rendabel maken van vermogen waarvan de fiscale gevolgen geen andere zijn dan die welke voortvloeien uit het vervroegd genieten van nog te verschijnen rentetermijnen. Er is niets genoten ‘’ter vervanging van''. Het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt gaan uit van de gedachte, dat het bedrag van f 240.000,-- is genoten in de jaren waarin de waardestijging zich heeft voltrokken. Het subsidiair standpunt houdt in, dat belanghebbende jaarlijks voor de waardestijging van zijn eigendom ten gevolge van het in het verschiet komen van de aflossingsdatum casu quo van het naderend einde van de last van het vruchtgebruik als opbrengst van vermogen moet worden belast, omdat belanghebbende de rente van dag tot dag in natura in de vorm van de waardestijging van zijn eigendom geniet. Het meer subsidiaire standpunt houdt in, dat genoten wordt op het tijdstip Zulks geldt te meer waar het hier betreft een voor korte tijd (3 jaren) afstaan van de uit de obligaties te trekken vruchten: de verwerving van de volle eigendom der obligaties ligt dan in een zo nabij verschiet, dat voorwerp van de overeenkomst naar maatschappelijke opvatting is de volle eigendom der obligaties, gekocht tegen beurswaarde onder toekenning van een korting wegens tijdelijk gemis der vruchten. Het in deze korting gelegen van het vruchtgebruik, vormt de tegenwaarde voor het door de verkoper voorbehouden vruchtgebruik: dit voordeel dient gerekend te worden tot de door erflater uit de obligaties genoten inkomsten. Doel en strekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zouden worden miskend, indien de onderhavige bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen niet tot belastbare vermogensopbrengsten zou leiden. Naar de mening van de Staatssecretaris dient het door erflater op bovenomschreven wijze behaalde voordeel tot diens belastbare inkomen te worden gerekend in het jaar waarin de aankoop van de obligaties is geschied. In dat jaar heeft hij de tegenwaarde van de rentetermijnen bij vooruitbetaling genoten, doordat de contante waarde van die termijnen bij de bepaling van de aankoopprijs met de beurswaarde der obligaties wordt verrekend. Ter adstructie van het bovenstaande moge de Staatssecretaris verwijzen naar de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 september 1968, nummer 44/1968 MI, BNB 1969/211 en het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1969, rolnummer 16.172, BNB 1969/212. Voorts zij verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 oktober 1977, waartegen onder rolnummer 18.788 beroep in cassatie is ingesteld, de uitspraak van het Hof te 's- Hertogenbosch van 6 januari 1978, nummer 1066/1976 (beroepschrift in cassatie de dato 10 april 1978, kenmerk 278-6268) en de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 mei 1978, nummer 58/77, waartegen gelijktijdig met het onderhavige beroepschrift beroep in cassatie is ingesteld. Overigens zij nog opgemerkt dat, hoewel het op vorenomschreven gronden in 1972 belastbare voordeel zou dienen te worden bepaald op f 230.469,--, door de Inspecteur te dezer zake slechts f 204.000,-- tot het belastbare inkomen is gerekend. Ad subsidiair: Deze stelling gaat uit van de gedachte dat de onderhavige bijzondere wijze van rendabel maken van vermogen jaarlijks tot uitdrukking komt in de waardestijging van de obligaties ten gevolge van het op korte termijn naderende einde van het recht van vruchtgebruik. Deze bate is door de Inspecteur in zijn vertoogschrift berekend op f 12.973,-- respectievelijk f 6.486,--.''; Overwegende omtrent dit middel: dat het middel blijkens de toelichting berust op de opvatting, dat doel en strekking van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zouden worden miskend, indien de onderhavige ‘’bijzondere wijze van het rendabel maken van vermogen'' bij belanghebbende niet tot belastbare vermogensopbrengsten zou leiden, en dat daarom voor de toepassing van die wet het kopen van mantels der obligaties als in het onderhavige geval dient te worden gelijkgesteld met het kopen van volle eigendom van die obligaties onder gelijktijdige verkoop van een tijdelijk recht van vruchtgebruik; dat die opvatting niet kan worden aanvaard; dat immers naar het stelsel van de Wet heffing van inkomstenbelasting over de opbrengst van schuldvorderingen zoals de onderhavige obligaties pleegt plaats te vinden, doordat de gerechtigde tot de rentetermijnen - gesteld deze zijn niet tot enig ondernemingsvermogen gaan behoren - deze na betaling door de schuldenaar van die termijnen tot zijn inkomsten uit vermogen dient te rekenen; dat daarnaast volgens dat stelsel - afgezien van het hier niet rechtstreeks van belang zijnde artikel 27, waarin een bijzondere regeling is gegeven voor vervreemding van lopende termijnen van inkomsten - heffing mogelijk is in geval van verkoop van nog niet lopende rentetermijnen, en wel aldus, dat alsdan door de werking v