Rechtspraak Hoge Raad 1979-12-19
ECLI:NL:HR:1979:AX0244
19 december 1979 nr. 18.537 AdJ. De Hoge Raad der Nederlanden , Wederom gezien het beroepschrift in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] te [Z] tegen de uitspraak van de Tariefcommissie van 1 februari 1977 betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1969 tot en met 1971; Wederom gezien de stukken waaronder thans: 1. Het arrest van 6 september 1978, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoekt uitspraak te doen over de in dat arrest nader omschreven vragen betreffende de uitlegging van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 11 april 1967 (nr. 67/228/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting en inzonderheid van artikel 4 en van Bijlage A, punt 2, "Ad artikel 4" van deze Richtlijn, verder te noemen de Tweede Richtlijn; 2. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1979, waarbij dit Hof over de uitlegging van voornoemde voorschriften met betrekking tot de voornoemde vragen een prejudiciële beslissing heeft gegeven; Overwegende dat het Hof van Justitie ten aanzien van het recht heeft overwogen: "1. Bij arresten van 6 september en 11 oktober 1978, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 september en 13 oktober 1978, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van enige bepalingen van de Tweede richtlijn van de Raad nr. 67/228/EEG van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 1967, bladzijde 1303), en inzonderheid van artikel 4 en van bijlage A, punt 2 "Ad artikel 4", van deze richtlijn. 2. Deze vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen een vennootschap en het Nederlandse ministerie van Financiën hetwelk aan elk der beide betrokken vennootschappen een naheffingsaanslag in de omzetbelasting heeft opgelegd op grond dat zij geen "ondernemer" waren, omdat zij, hoewel juridisch gezien wel zelfstandig, beide financieel, economisch en organisatorisch met derde vennootschappen waren verbonden en daarmee derhalve een "fiscale eenheid" vormden en omdat zij bijgevolg in hun interne transacties met deze derde vennootschappen niet de belasting over de toegevoegde waarde konden opvoeren, zodat de vennootschappen de voorbelasting ten onrechte in aftrek hadden gebracht. 3. Voor de oplossing van dit geschilpunt heeft de nationale rechter in elk der gevoegde zaken vier identieke vragen gesteld waarvan de eerste en de derde zeer nauw zijn verbonden en derhalve tezamen moeten worden onderzocht. 4. In de eerste plaats vraagt de nationale rechter of " "een Lid-Staat een regeling heeft ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, 2. Ad artikel 4, van de Tweede richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers worden verricht en in die wet vervolgens het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met "ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent", terwijl uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet moet worden afgeleid dat onder het begrip ondernemer ook kan vallen een combinatie van personen, die juridisch gezien ieder voor zich wel zelfstandig zijn, doch onderling financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn" "; de derde vraag luidt als volgt: " "indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Is Nederland tot de raadpleging, als bedoeld in Bijlage A, 2. Ad artikel 4, van de Tweede richtlijn overgegaan?" " Deze vraag ligt in het verlengde van de eerste daar een ontkennend antwoord op deze derde vraag ertoe kan leiden dat de gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste vraag worden teniet gedaan, omd De door de Nederlandse regering aan de Commissie gezonden correspondentie betreffende de totstandkoming en de bekendmaking van de Nederlandse wet op de omzetbelasting van 1968 bestaat uit drie brieven: 1) een brief van 3 november 1967 waarin kennis wordt gegeven van " "het wetsontwerp met bijbehorende Memorie van Toelichting en bijlage, mede in verband met de bepalingen van de richtlijnen van de Raad van 11 april 1967 ..." " 2) een brief van 24 april 1968 waarin wordt bericht van de nota van wijzigingen op het wetsontwerp en wordt verklaard dat deze wordt toegezonden " "in verband met de bepalingen van de richtlijnen van de Raad van 11 april 1967 ..." " 3) een brief van 16 juli 1968 waarbij de Commissie het Staatsblad 329 werd toegezonden waarin de wet van 28 juni 1968 is bekendgemaakt, welke brief uitdrukkelijk stelt: " "deze toezending strekt ertoe, mede te voldoen aan de bepalingen van de richtlijnen van de Raad die in een aantal gevallen het voorschrift inhouden om tot raadpleging over te gaan, in welk geval de betrokken Lid-Staat zich tijdig tot de Commissie wendt" "; in dit begeleidend schrijven werd een aantal bijzondere punten opgesomd waarover een opinie werd gevraagd, maar de in casu opgeworpen vraag - ontheffing van de B.T.W. in de regeling betreffende de fiscale eenheid - kwam in deze opsomming niet voor. Opgemerkt moet evenwel worden: 1. dat deze hele briefwisseling, hoewel de term "raadpleging" alleen in de laatste brief wordt gebruikt, slechts ten doel had te voldoen aan de verplichting tot raadpleging, daar geen enkele bepaling in de richtlijnen, buiten de verzoeken om raadpleging een overlegging van de nationale teksten aan de Commissie voorschreef. 2. dat de Commissie volledig is ingelicht over de ingevoerde Nederlandse wettelijke regeling op het gebied van de B.T.W. daar zij het wetsontwerp, de wijzigingen daarop, de definitieve tekst en de met name wat betreft het begrip "ondernemer" dat het begrip fiscale eenheid dekt, zeer gedetailleerde Memorie van Toelichting heeft ontvangen (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968-9234, nummer 3, bladzijde 31, rechterkolom, voorlaatste alinea). 3. dat de Commissie tijdig werd benaderd, daar dit laatstelijk in juli 1968 geschiedde, terwijl de richtlijn eerst op 1 januari 1972 moest worden uitgevoerd en dat zij derhalve meer dan 3 jaar de tijd had om alle dienstige opmerkingen aan de Nederlandse regering te maken. 12. Derhalve moet worden overwogen dat de Nederlandse regering, gelet op de tekst van artikel 16 en van punt 2, Ad artikel 4, van Bijlage A van de Tweede richtlijn heeft voldaan aan de daarin gestelde vereisten om de regeling betreffende de fiscale eenheid van de onderneming in haar wettelijke regeling te handhaven. 13. Mitsdien moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat een Lid-Staat een regeling heeft ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, punt 2, Ad artikel 4, vierde alinea, van de Tweede richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers worden verricht, na tot de in artikel 16 van de richtlijn bedoelde raadpleging te zijn overgegaan, hoewel het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met " "ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent" ". 14. Daar de vragen 1 en 3 van de nationale rechter tezamen bevestigend zijn beantwoord behoeven de vragen 2 en 4 niet te worden beantwoord."; Overwegende het Hof van Justitie heeft verklaard voor recht: "Een Lid-Staat heeft een regeling ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, punt 2, Ad artikel 4, vierde alinea, van de Tweede Richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers wordt verricht, na tot de in artikel 16 van de richtlijn bedoelde raadpleging te zijn overgegaan, hoewel het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met " "ieder die een be