Rechtspraak Hoge Raad 1979-06-19
ECLI:NL:HR:1979:AD6946
19 juni 1979 strafkamer Nr. 70.630 G.C. Hoge Raad der Nederlanden ARREST gewezen op het beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 december 1978 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats] . 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 februari 1978, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wegenverkeerswet". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot een week gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van tien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. 2. Het cassatieberoep Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr G. Spong, advocaat te 's-Gravenhage, het navolgende middel van cassatie voorgesteld: "Verzuim van vormen waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven en/of schending van het Nederlandse recht in het bijzonder de artt. 359 en 415 Sv. doordien het Hof het namens rekwirant ter terechtzitting in hoger beroep opgeworpen verweer dat het resultaat van het bloedonderzoek geen acht mag worden geslagen omdat niet is gebleken dat de in de Bloedproefbeschikking voorgeschreven hoeveelheid bloed van de verdachte is afgenomen op onjuiste gronden heeft verworpen, zodat 's-Hofs arrest niet naar de eis der Wet met redenen is omkleed. Toelichting: Het gevoerde verweer stelt de rechtmatigheid van een onderdeel van het bewijsmateriaal ter diskussie, althans dient aldus te worden opgevat, dat het vermoeden dat het bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen op zijn minst aangevochten wordt. Dit betekent dat het Hof zich over de rechtmatigheid van de wijze waarop het door hem gebezigde materiaal, is verkregen, moet uitlaten en wel op zodanige wijze dat de juistheid van het verweer moet worden onderzocht. (vgl. H.R. 18 april 1978, N.J. 1978, 365). Dit laatste heeft het Hof niet gedaan. Door te overwegen, dat "indien er geen aanwijzingen bestaan dat een andere dan de voorgeschreven hoeveelheid bloed is afgenomen, ervan mag worden uitgegaan dat te dien aanzien de voorschriften zijn nageleefd" laat het Hof de juistheid van het verweer, waarin zo expliciet een vraagteken wordt gezet achter de vraag of de betreffende voorschriften zijn nageleefd, in het midden. De Rechter mag ervan uitgaan dat bewijsmateriaal door politie, Openbaar Ministerie en Rechter-Commissaris op rechtmatige wijze is vergaard. Een onderzoek naar de methoden van vergaring is echter noodzakelijk als - gelijk i.c. - de verdachte een beroep doet op de onrechtmatige verkrijging. (vgl. noot van Veen onder H.R. 28 november 1978 N.J. 1979, 102). Het Hof had mitsdien in deze een onderzoek moeten instellen naar de hoeveelheid afgenomen bloed". 3. De conclusie van het Openbaar Ministerie De Advocaat-Generaal Remmelink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 4. Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard: "dat hij te Amsterdam, op of omstreeks 22 augustus 1977, als bestuurder van een vierwielig motorvoertuig, dit voertuig heeft bestuurd over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zeevaarthof, in ieder geval over een voor het openbaar verkeer openstaande weg, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof - alcoholhoudende drank - waarvan hij wist of redelijkerwijze moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht". Deze bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen: I. de verklaring van verdachte ter terechtzitting, voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende: "Op 22 augustus 1977 omstreeks 21.30 uur heb