Rechtspraak Hoge Raad 1979-03-09
ECLI:NL:HR:1979:AC0769
9 maart 1979 Req.nr. 5149 CHB De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het verzoekschrift van de vereniging De Nederlandse Volks-Unie, gevestigd te Amsterdam, vertegenwoordigd door Mr. W.J. Welfort, advocaat bij de Hoge Raad, welk verzoekschrift strekt tot vernietiging van een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 juni 1978; Gelet op de conclusie van de Advocaat-Generaal Remmelink tot verwerping van het beroep; Gezien de bestreden beschikking en de overige stukken van het geding, waaruit, voor zover in cassatie van belang, het volgende blijkt: De Officier van Justitie in het Arrondissement Amsterdam heeft zich met een schriftelijke vordering, ingekomen ter griffie van de Rechtbank op 9 december 1977, gewend tot de Rechtbank aldaar, stellende, op gronden nader in de vordering omschreven, dat verzoekster (de NVU) een verboden rechtspersoon is als bedoeld in artikel 15 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Derhalve heeft hij gevorderd dat de Rechtbank de NVU zal ontbinden (artikel 16 van genoemd wetboek). De Rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 1978 weliswaar geoordeeld dat de NVU als een verboden rechtspersoon moet worden aangemerkt — zulks op de gronden uiteengezet in haar beschikking, gepubliceerd in de Nederlandse Jurisprudentie 1978, no. 281—, maar niettemin de vordering tot ontbinding van de NVU van de hand gewezen. Daartoe heeft de Rechtbank onder meer overwogen: ‘’De Rechtbank aarzelt niet de NVU als een verboden vereniging te kwalificeren, nu haar aktiviteiten en optreden van een zodanige aan het misdadige grenzende en potentieel gevaarlijke aard zijn gebleken, dat strijd met de in ons land algemeen aanvaarde eisen van openbare orde en goede zeden niet te ontkennen valt. ... 12. Dit door de Rechtbank geconstateerde verboden karakter van de NVU brengt enkele consequenties met zich mee. In de eerste plaats kan het Openbaar Ministerie tegen ieder die aan haar ‘’deelneemt’’ of heeft deelgenomen een strafvervolging aanhangig maken ter zake het misdrijf van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens wetenschap en rechtspraak moet het begrip deelneming hier ruim worden uitgelegd en is dus niet beperkt tot de leden. Te denken valt bijv. aan: donateurs, medewerkers aan van haar uitgaande geschriften, sprekers op bijeenkomsten enz. Bovendien bevat het artikel een zwaardere strafbedreiging voor oprichters en bestuursleden. Voorts kan de NVU de deelneming aan de gemeenteraadsverkiezingen door het centraal stembureau van de betrokken gemeente worden ontzegd (met beroep op de Kiesraad te 's-Gravenhage). Dit heeft hiertoe de bevoegdheid ingevolge artikel G 3 lid 3 van de Kieswet ‘’indien daartoe redenen verband houdende met de openbare orde of de goede zeden aanwezig zijn’’. Gelijksoortige bepalingen bevat deze wet ook in de artikelen G 2 en G 1 ten opzichte van de verkiezingen voor de Provinciale Staten respectievelijk de Tweede Kamer; de NVU is daarvoor in het betrokken register op 7 april 1976 onder no. 182 ingeschreven. 13. Tot het derde en door de Officier van Justitie in dit geding gevorderde gevolg, zal de Rechtbank thans nog niet kunnen overgaan; de wetgever heeft de rechter trouwens duidelijk de vrijheid gegeven deze consequentie al dan niet te trekken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de ontbinding van een rechtspersoon ten doel heeft het regelen van de aanspraken en schulden die derden jegens respectievelijk aan de verboden rechtspersoon bezitten. Zoals echter onder 2 is uiteengezet is de NVU zó nauw verbonden met de ‘’Stichting tot Steun aan en Toezicht op de Nederlandse Volks-Unie’’, welke in het Stichtingen-register te Amsterdam is ingeschreven, dat de rechten en verplichtingen van de vereniging uitsluitend aan deze stichting toekomen. Nu de rechter niet ambtshalve tot ontbinding van de, door de Officier buiten de vordering gehouden, Stichting vermag over te gaan, mist een ontbinding van alleen de NVU met de daarbij voorgeschreven benoeming van een vereffenaar elke betekenis. Ondanks het aan