Rechtspraak Hoge Raad 1979-12-19
ECLI:NL:HR:1979:6
11 oktober 1978 Nr. 18.830 Jb. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het, in fotocopie aan dit arrest gehechte, beroepschrift in cassatie van de Minister van Financiën tegen de, eveneens in fotocopie aan dit arrest gehechte, uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 oktober 1977 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. te [Z] opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1973 tot en met 1974; Gezien de conclusie van de Advocaat-Generaal Van Soest, strekkende tot verwerping van het beroep; Gezien de stukken; Overwegende dat belanghebbende, aan wie een naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1973 tot en met 1974 is opgelegd ten bedrage van f 655.707, -- aan enkelvoudige belasting, welke aanslag bij uitspraak van de Inspecteur op een daartegen gericht bezwaarschrift is gehandhaafd, van die uitspraak in beroep is gekomen bij het Gerechtshof; Overwegende omtrent het beroep in cassatie: dat aan de voorgestelde middelen ten grondslag ligt de rechtsopvatting, dat het begrip ondernemer, zoals omschreven in artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, aldus moet worden verstaan, dat daaronder ook kan vallen een combinatie van personen, die juridisch gezien ieder voor zich wel zelfstandig zijn doch onderling financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn; dat ten tijde van de totstandkoming van de Wet op de omzetbelasting 1968 het begrip ondernemer, voorkomende in de toen geldende Wet op de Omzetbelasting 1954, zowel in de praktijk van de heffing als in de rechtspraak en literatuur in voormelde zin werd verstaan, in verband met welke interpretatie de term. "fiscale eenheid" ingang heeft gevonden; dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de omzetbelasting 1968 blijkt dat de wetgever aan het begrip ondernemer, zoals omschreven in artikel 7, lid 1, van die wet, te dien aanzien geen andere inhoud heeft willen geven, in welk verband van belang zijn de navolgende passages uit de schriftelijke stukken: 1. In beginsel heeft het begrip "ondernemer" geen wijziging ondergaan." (Memorie van Toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968 - 9324, nummer 3, bladzijde 31, rechter kolom, 2e alinea van onderen); 2. " Het begrip ondernemer. " ...... "Het leerstuk van de zogenaamde fiscale eenheid zal eveneens veel aan belang inboeten. Kan onder een cumulatief cascadestelsel het als een eenheid aanmerken van verschillende personen tot een lagere belastingdruk leiden, onder een B.T.W. zal de uiteindelijke belastingdruk doorgaans gelijk blijven, ongeacht of sprake is van een fiscale eenheid of niet. Onder die omstandigheden kan worden verwacht, dat de fiscale eenheid in hoofdzaak nog betekenis zal hebben in het administratieve vlak," (Memorie van Toelichting, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968 - 9324, nummer 3, bladzijde 29, linker kolom, midden); 3. " De ondergetekenden vinden evenmin aanleiding om andere, al of niet rechtspersoonlijkheid bezittende, samenwerkingsverbanden uitdrukkelijk als ondernemer aan te wijzen. Aangezien het voorgestelde begrip ondernemer voldoende ruimte biedt om een verdere ontwikkeling onder de werking van de B.T.W. mogelijk te maken, geven ondergetekenden er de voorkeur aan ter zake geen nadere wettelijke voorzieningen te treffen. Zoals reeds in de Memorie van Toelichting is uiteengezet, zal het leerstuk van de zogenaamde fiscale eenheid (de figuur waarbij verschillende juridisch zelfstandige personen als één ondernemer worden aangemerkt) veel aan belang inboeten. De ondergetekenden nemen aan, dat een dergelijke eenheid onder de B.T.W. in hoofdzaak nog betekenis zal hebben in het administratieve vlak, hoewel in een enkel geval, zoals bij vrijgestelde ondernemers, ook nog wel materiële gevolgen kunnen intreden. Ten aanzien van Duitsland kan worden opgemerkt, dat ook daar het leerstuk van de zogenaamde "Organschaft" (te vergelijken met onze fiscale eenheid) veel aan waarde heeft Het arrest van 11 oktober 1978, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoekt uitspraak te doen over de in dat arrest nader omschreven vragen betreffende de uitlegging van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap van 11 april 1967 (nummer 67/228/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting en inzonderheid van artikel 4 van Bijlage A, punt 2, "Ad artikel 4" van deze Richtlijn, verder te noemen de Tweede Richtlijn; 2. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1979, waarbij dit Hof met betrekking tot de gestelde vragen een prejudiciële beslissing heeft gegeven; Overwegende dat het Hof van Justitie ten aanzien van het recht heeft overwogen: "1. Bij arresten van 6 september en 11 oktober 1978, ingekomen ter griffie van het Hof op 11 september en 13 oktober 1978, heeft de Hoge Raad der Nederlanden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van enige bepalingen van de Tweede richtlijn van de Raad nummer 67/228/EEG van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 1967, bladzijde 1303), en inzonderheid van artikel 4 en van bijlage A, punt 2 "Ad artikel 4", van deze richtlijn. 2. Deze vragen zijn gerezen in twee geschillen tussen een vennootschap en het Nederlandse Ministerie van Financiën hetwelk aan elk der beide betrokken vennootschappen een naheffingsaanslag in de omzetbelasting heeft opgelegd op grond dat zij geen "ondernemer" waren, omdat zij, hoewel juridisch gezien wel zelfstandig, beide financieel, economisch en organisatorisch met derde vennootschappen waren verbonden en daarmee derhalve een "fiscale eenheid" vormden en omdat zij bijgevolg in hun interne transacties met deze derde vennootschappen niet de belasting over de toegevoegde waarde konden opvoeren, zodat de vennootschappen de voorbelasting ten onrechte in aftrek hadden gebracht. 3. Voor de oplossing van dit geschilpunt heeft de nationale rechter in elk der gevoegde zaken vier identieke vragen gesteld waarvan de eerste en de derde zeer nauw zijn verbonden en derhalve tezamen moeten worden onderzocht. 4. In de eerste plaats vraagt de nationale rechter of ""een Lid-Staat een regeling heeft ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, 2. Ad artikel 4, van de Tweede richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers worden verricht en in die wet vervolgens het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met "ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent", terwijl uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet moet worden afgeleid dat onder het begrip ondernemer ook kan vallen een combinatie van personen, die juridisch gezien ieder voor zich wel zelfstandig zijn, doch onderling financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn""; de derde vraag luidt als volgt: ""indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord: Is Nederland tot de raadpleging, als bedoeld in Bijlage A, 2. Ad artikel 4, van de Tweede richtlijn overgegaan?"" Deze vraag ligt in het verlengde van de eerste daar een ontkennend antwoord op deze derde vraag ertoe kan leiden dat de gevolgen van een bevestigend antwoord op de eerste vraag worden teniet gedaan, omdat de in de derde vraag bedoelde tekst een Lid-Staat verplicht de Commissie te raadplegen wanneer hij voornemens is een regeling betreffende de fiscale eenheid in te voeren. 5. Om deze vragen te beantwoorden moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat artikel 2 van de Tweede richtlijn aan de belasting over de toegevoegde waarde onderwerpt ""de leveringen van goederen en diensten, welke in het binnenland door een belastingplichtige onder bezwarende t dat deze hele briefwisseling, hoewel de term "raadpleging" alleen in de laatste brief wordt gebruikt, slechts ten doel had te voldoen aan de verplichting tot raadpleging, daar geen enkele bepaling in de richtlijnen, buiten de verzoeken om raadpleging een overlegging van de nationale teksten aan de Commissie voorschreef. 2. dat de Commissie volledig is ingelicht over de ingevoerde Nederlandse wettelijke regeling op het gebied van de B.T.W. daar zij het wetsontwerp, de wijzigingen daarop, de definitieve tekst en de met name wat betreft het begrip "ondernemer" dat het begrip fiscale eenheid dekt, zeer gedetailleerde Memorie van Toelichting heeft ontvangen (Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1967-1968- 9234, nummer 3, bladzijde 31, rechterkolom, voorlaatste alinea) . 3. dat de Commissie tijdig werd benaderd, daar dit laatstelijk in juli 1968 geschiedde, terwijl de richtlijn eerst op 1 januari 1972 moest worden uitgevoerd en dat zij derhalve meer dan 3 jaar de tijd had om alle dienstige opmerkingen aan de Nederlandse regering te maken. 12. Derhalve moet worden overwogen dat de Nederlandse regering, gelet op de tekst van artikel 16 en van punt 2, Ad artikel 4, van Bijlage A van de Tweede richtlijn heeft voldaan aan de daarin gestelde vereisten om de regeling betreffende de fiscale eenheid van de onderneming in haar wettelijke regeling te handhaven. 13. Mitsdien moet op de eerste en de derde vraag worden geantwoord dat een Lid-Staat een regeling heeft ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, punt 2, Ad artikel 4, vierde alinea, van de Tweede richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers worden verricht, na tot de in artikel 16 van de richtlijn bedoelde raadpleging te zijn overgegaan, hoewel het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met ""ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent"". 14. Daar de vragen 1 en 3 van de nationale rechter tezamen bevestigend zijn beantwoord behoeven de vragen 2 en 4 niet te worden beantwoord. "; Overwegende dat het Hof van Justitie heeft verklaard voor recht: "Een Lid-Staat heeft een regeling ingevoerd, als bedoeld in Bijlage A, punt 2, Ad artikel 4, vierde alinea, van de Tweede richtlijn, indien die Lid-Staat bij wet heeft bepaald dat een omzetbelasting wordt geheven onder meer ter zake van leveringen van goederen en diensten welke door ondernemers worden verricht, na tot de in artikel 16 van de richtlijn bedoelde raadpleging te zijn overgegaan, hoewel het begrip ondernemer niet anders wordt omschreven dan met "ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent""."; Overwegende andermaal aangaande de door de Minister van Financiën aangevoerde middelen: dat ingevolge de antwoorden welke het Hof van Justitie heeft gegeven op de eerste en de derde door de Hoge Raad gestelde vraag en mede gelet op hetgeen dit Hof in rechte onder nummer 12 heeft overwogen, het bepaalde in de artikelen 4 en 16 van de Tweede Richtlijn, alsmede in Bijlage A, punt 2, "Ad artikel 4" van deze Richtlijn zich niet ertegen verzetten dat onder het begrip ondernemer in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968, verder te noemen de Wet, mede wordt begrepen een combinatie van personen, die juridisch gezien ieder voor zich wel zelfstandig zijn, doch onderling financieel, economisch en organisatorisch met elkaar verbonden zijn; dat uit de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, verder te noemen het Hof, blijkt dat de Inspecteur subsidiair heeft gesteld dat belanghebbende en Denkavit Nederland B.V. zo nauw met elkaar zijn verbonden in organisatorisch, economisch en financieel opzicht, dat er sprake is van een fiscale eenheid, vormende één belaste ondernemer ; dat blijkens 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding de Inspecteur ter toelichting van de door hem gestelde verbondenheid in financieel opzicht heeft aangevoerd: dat het financiële belang zowel in belanghebbende als in Denka