Rechtspraak Hoge Raad 1978-12-15
ECLI:NL:HR:1978:AC6427
15 december 1978 E.K. De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. 11.376 van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 1 februari 1978, tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n [verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, tevens eiser in het incidenteel cassatieberoep, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Berger in zijn conclusie, in het principaal beroep, tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot bekrachtiging van het vonnis van het Kantonrechter te Almelo op 17 juni 1976 tussen partijen gewezen, en, in het incidenteel beroep, tot verwerping van het beroep, alles met de veroordeling van de verweerder in cassatie, incidenteel eiser ([verweerder]), in de kosten op het geding in hoger beroep en cassatie gevallen; Gezien het bestreden vonnis en de overige stukken van het geding, waaruit blijkt: Bij inleidende dagvaarding van 17 februari 1975 heeft verweerder in cassatie, tevens eiser in het incidenteel cassatieberoep, hierna te noemen [verweerder], eiser tot cassatie, tevens verweerder in het incidenteel cassatieberoep, hierna te noemen [eiser], gedaagd voor de Kantonrechter te Almelo en, stellende, verkort weergegeven, dat hij, ingaande 15 april 1974 voor vijf jaar aan [eiser] heeft verhuurd een herenkapsalon in [woonplaats] tegen een huurprijs van ƒ 100,-- per week, dat [eiser] op 23 september 1974 het gehuurde heeft ontruimd en sinds 21 september 1974 in gebreke blijft de huur te betalen, betaling van de huur gevorderd tot de dag dat de overeenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd. [eiser] heeft de vordering bestreden; hij stelde dat hij met [verweerder] was overeengekomen dat hij gedurende een proefperiode eens zou kijken of hij de kapsalon rendabel zou kunnen exploiteren en dat daarna een huurovereenkomst zou worden gesloten; dat er, zo er al een huurovereenkomst zou zijn, sprake was van een huurovereenkomst ex artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek; dat hij in september 1974 besloten heeft om niet langer door te gaan met de zaak. Daarna heeft een comparitie van partijen plaatsgehad, waarna de Kantonrechter bij tussenvonnis van 24 juli 1975 [eiser] heeft toegelaten tot het bewijs, dat tussen partijen overeengekomen is, dat [eiser] de huurovereenkomst alsnog kon ontbinden voordat een halfjaar daarvan was voorbijgegaan. Nadat [eiser] getuigen had doen horen heeft de Kantonrechter bij zijn eindvonnis van 17 juni 1976 aan [verweerder] diens vordering ontzegd en hem veroordeeld in de kosten van het geding, daartoe overwegende: “Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en uit de verklaringen der beide gehoorde getuigen is komen vast te staan, dat [verweerder] de als kappersruimte ingerichte garage aan [eiser] heeft aangeboden en dat [eiser] de ruimte heeft aanvaard, onder de voorwaarde dat eerst bezien zou worden of het uitoefenen van een kappersbedrijf aldaar rendabel zou zijn. Dit betekent, dat partijen dus een proefperiode zijn overeengekomen, alvorens een definitief gebruik op langere termijn zou worden aangegaan. [verweerder] spreekt bij de comparitie van partijen over een proefperiode van drie maanden. [eiser] heeft gesteld dat hij slechts zou zijn overeengekomen met [verweerder] om het eerst eens aan te zien, terwijl de getuigen verklaren dat de proefperiode niet aan een vooraf afgesproken tijdsduur was gebonden. Vast staat voorts, dat [eiser] na 24 en 25 weken, dus binnen een half jaar, aan [verweerder] heeft laten weten dat het bedrijf niet rendabel was en dat hij afzag van het verdere gebruik. Wij achten een periode van een half jaar een redelijke termijn om te kunnen bepalen of een nieuw bedrijf ter plaatse zal aanslaan of niet. Het komt Ons in strijd met de redelijkheid en billijkheid voor om, nu partijen niet uitdr Artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek geeft echter een mogelijkheid om een huurovereenkomst van twee jaar of korter te sluiten. De huurder heeft op grond van deze wetsbepaling de gelegenheid om, alvorens hij zich bindt tot de vijf-jarige huurovereenkomst van artikel 1625 van het Burgerlijk Wetboek, na te gaan of de huur van het perceel voldoet aan de verwachtingen die hij daarvan heeft. [verweerder] meent dat in casu de toepasselijkheid van artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek niet opgaat; hij is op grond van de wetsgeschiedenis en met name het amendement Scholten van oordeel, dat de begin- en einddatum van de huurovereenkomst ex artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek exact moeten vastliggen, dat het een overeenkomst voor bepaalde tijd moet zijn, die echter niet langer mag duren dan twee jaar. 6. Vast staat dat partijen hebben afgesproken, dat [eiser] zou kijken of de kapperszaak rendabel zou zijn. Daarmee staat ook vast, dat [eiser] bij het sluiten van de huurovereenkomst met [verweerder] in ieder geval (nog) geen overeenkomst voor de duur van vijf jaar wenste, maar een kortere, en dat [verweerder] het daarmee eens was. Naar het oordeel van de Rechtbank is niet komen vast te staan, dat partijen bij wijze van proefperiode een overeenkomst voor de duur van drie maanden hebben afgesloten; de duur van de proefperiode is onbepaald gebleven. De gehoorde getuigen zeggen immers dat over een termijn niet is gesproken. [verweerder] zegt nu wel dat het mogelijk is, dat de termijn van drie maanden buiten aanwezigheid van de getuigen is genoemd, dat het uitgesloten is te achten dat hij, [verweerder], niet heeft willen weten waar hij aan toe was en dat aannemelijk is dat een termijn is genoemd, maar dit alles zijn veronderstellingen, geen feiten. Bewijs biedt [verweerder] niet aan. Nu partijen de overeenkomst ex artikel 1625van het Burgerlijk Wetboek niet wilden, maar een kortere, konden zij in het systeem van de wet slechts een overeenkomst voor de duur van twee jaar of korter aangaan; daar partijen over de duur van die overeenkomst ex artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek geen afspraken hebben gemaakt, heeft zij de maximale in artikel 1630 genoemde looptijd van twee jaar. [eiser] zal derhalve huur over twee jaar dienen te betalen en het vonnis van de Kantonrechter dient in zoverre te worden vernietigd. 7. De wetsgeschiedenis van het artikel, waar [verweerder] zich op beroept, bindt de rechter bij de interpretatie ervan niet. De Rechtbank wil zich bij de interpretatie van artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek te minder laten leiden door die wetsgeschiedenis, omdat het amendement Scholten juist werd ingediend om de huurder wat meer bescherming te geven. 8. De derde, vierde en vijfde grief behoeven geen bespreking, omdat zij, zo zij al gegrond zouden worden bevonden, op grond van het onder 5 tot en met 7 overwogene niet tot de door [verweerder] gewenste uitspraak zouden leiden, dat hier sprake is van een huurovereenkomst ex artikel 1625 van het Burgerlijk Wetboek. 9. Bij interlocutoir vonnis van 24 juli 1975 heeft de Kantonrechter aan [eiser] bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat tussen partijen is overeengekomen dat [eiser] de huurovereenkomst alsnog kon ontbinden voordat een halfjaar daarvan was voorbij gegaan. [eiser] is van dit vonnis in incidenteel appel gekomen. Hij voert aan dat hij tegenover [verweerder] stelling: er is een huurovereenkomst voor vijf jaar, een gans andere overeenkomst heeft gesteld, namelijk om alvorens definitief te huren, te bezien of vestiging in [woonplaats] rendabel zou zijn. Aan [verweerder] had, aldus [eiser], het bewijs van de door hem gestelde huurovereenkomst moeten worden opgedragen. 10. De Rechtbank verwerpt deze grief. De feitelijke situatie was dat [eiser] in een pand van [verweerder], een kapsalon, het kappersbedrijf uitoefende tegen betaling aan [verweerder] van ƒ 100,-- per week; [eiser] had het genot van een zaak tegen een bepaalde prijs en ingevolge artikel 15 Met de Kantonrechter is [eiser] van mening, dat een half jaar redelijk is, te meer omdat [eiser] ook nog wilde nagaan hoe het bedrijf in [woonplaats] zou lopen nadat de zomervakantie in 1974 voorbij was.” In elk geval had de Rechtbank behoren te onderzoeken, of een redelijke uitleg van der partijen overeenkomst en/of de bij de uitvoering ervan in acht te nemen goede trouw, dan wel aanvulling der overeenkomst op grond van artikel 1375 van het Burgerlijk Wetboek met datgene wat naar haar aard door de billijkheid of het gebruik wordt gevorderd, medebrengt dat de bedongen proefperiode, waarbinnen [eiser] de rentabiliteit van de door hem in het verhuurde gedreven kapperszaak mocht beoordelen kan worden gesteld op een half jaar, en in elk geval op een kortere termijn dan twee jaren, alsmede dat [eiser] de huurovereenkomst binnen die proefperiode althans tegen het einde daarvan rechtsgeldig door opzegging kon beëindigen.”; Overwegende dat [verweerder] zich met betrekking tot dit middel van cassatie aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd met verzoek buiten de kosten vallende op het principaal beroep in cassatie te worden gelaten omdat hij de in het middel vervatte klachten niet heeft uitgelokt, en zijnerzijds tegen het bestreden vonnis als middel van cassatie heeft aangevoerd: “Verzuim van vormen op niet-inachtneming waarvan nietigheid staat en/of schending van het recht, in het bijzonder van de artikelen 1625, 1626, 1627, 1629 en 1630 van het Burgerlijk Wetboek, door te overwegen en te beslissen als vermeld in het vonnis waarvan beroep, ten onrechte, omdat, ook al moet worden aangenomen, dat partijen de overeenkomst ex artikel 1625 van het Burgerlijk Wetboek niet wilden, maar een kortere, en, nu door de Rechtbank is beslist, dat partijen over de duur van die overeenkomst geen afspraak hebben gemaakt, daaruit - en uit hetgeen de Rechtbank verder overweegt - niet volgt dat de overeenkomst de maximale in artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek genoemde looptijd van twee jaar heeft, aangezien, indien partijen geen afspraak over de duur van die overeenkomst hebben gemaakt, en in het bijzonder niet een bepaalde tijd van twee jaar of korter zijn overeengekomen, de huurovereenkomst voor vijf jaren geldt, hetgeen althans het geval is, waar artikel 1625 van het Burgerlijk Wetboek niet een uitzondering maakt voor de overeenkomst van onbepaalde tijd of voor een overeenkomst van onbepaalde tijd zij het voor minder dan vijf jaren en waar in deze niet blijkt van goedkeuring van het van artikel 1625 van het Burgerlijk Wetboek afwijkende beding omtrent de duur van de overeenkomst overeenkomstig artikel 1629 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, hebbende de Rechtbank voorts miskend, dat in deze niet bepalend is voor welke duur partijen in het systeem van de wet slechts (rechtsgeldig) een overeenkomst konden aangaan, doch wel voor welke duur zij een overeenkomst hebben aangegaan en of zij over de duur van die overeenkomst afspraken hebben gemaakt, terwijl, al moge de wetsgeschiedenis van artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek, waarop [verweerder] zich beroept, de rechter bij de interpretatie daarvan niet binden, dit artikel wel, als bovenvermeld, behoort te worden uitgelegd, mede gelet op bedoelde wetsgeschiedenis, zijnde in deze evenmin van belang, dat het amendement Scholten, dat tot de huidige tekst van artikel 1630 van het Burgerlijk Wetboek heeft geleid, juist werd ingediend om de huurder wat meer bescherming te geven, omdat de huurder teneinde deze bescherming deelachtig te doen worden, een overeenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar of korter dient te sluiten.”; Overwegende omtrent deze middelen: Bij de behandeling van de eerste twee grieven van [verweerder] had de Rechtbank, mede gelet op de toelichting op de eerste grief, te beslissen of, nu bij de onderhavige overeenkomst van huur en verhuur van bedrijfsruimte was bedongen dat de huurder zou kijken of de in het gehuurde te drijven zaak rendabel zou zijn en bij negatief resultaat de