Rechtspraak Hoge Raad 1977-12-07
ECLI:NL:HR:1977:AX3097
7 december 1977. Nr. 18.539 W.v.d.P. De Hoge Raad der Nederlanden , Gezien het beroepschrift in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 maart 1977 betreffende de aan [X] te [Z] opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting voor het jaar 1973; Gezien de stukken; Overwegende dat aan belanghebbende, aan wie aanvankelijk voor het jaar 1973 een aanslag in de inkomstenbelasting was opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.449,--, een aanslag tot navordering van die belasting is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 6.633,--; dat belanghebbende van laatstgenoemde aanslag in beroep is gekomen bij het Hof; Overwegende dat het Hof de vaststaande feiten als volgt heeft weergegeven: "Aan belanghebbende, geboren in 1955, is met betrekking tot het onderhavige jaar een primitieve aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.449,--, van welke aanslag het aanslagbiljet is gedagtekend 30 november 1974; het betreffende kohier is door de Inspecteur ondertekend op 13 november 1974. De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd terzake van belanghebbendes aandeel groot ƒ 1.184,-- in de hierna te noemen nabetaling van pensioen. Van zijn aandeel in deze nabetaling maakte belanghebbende in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting, belastingjaar 1973, geen melding; in de reeds genoemde primitieve aanslag is ter zake van deze nabetaling niets belast. Het aanslagbiljet van de onderwerpelijke navorderingsaanslag is gedagtekend 23 maart 1976. In 1973 werd ten name van de erven [A] pensioen nabetaald tot een bedrag van ƒ 9.472,96. [A] , die in 1969 overleed, was in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Tot erfgenamen liet hij na zijn echtgenote en drie zoons, waaronder belanghebbende. De zoons waren elk voor een/achtste deel in de onverdeelde boedel, door het overlijden van hun vader opengevallen, gerechtigd. Belanghebbende, zijn moeder [X] en één van zijn broers zijn in het ouderlijk huis te [Z] , [a-straat 1] , blijven wonen; dit blijkt ook uit het ter inspectie bijgehouden kaartenbestand. Tussen 1 februari en 1 juli 1974 werd ter inspectie een loonbelastingkaart 1973 ontvangen - een fotocopie van deze kaart behoort tot de stukken - afkomstig van de Buitengewone Pensioenraad te Heerlen, de inhoudingsplichtige, en vermeldende een als incidenteel bestempeld loon van ƒ f 9.472,96. De kaart noemt als werknemer: Erven van [A] , en vermeldt als adres op 31 december 1973: [a-straat 1] te [Z] . Op de kaart staat voorts dat de werknemer gehuwd was en dat voor drie kinderen recht op kinderaftrek bestond. Bij de naam is ter inspectie op de loonbelastingkaart aangetekend: [X] ;"; Overwegende dat het Hof de standpunten van partijen als volgt heeft weergegeven: dat van belanghebbende: "Belanghebbende is van mening, dat een nabetaling als deze uit de boedel van een erflater opkomt, en niet voor de erfgenaam een belastbaar inkomensbestanddeel vormt. Afgezien daarvan is belanghebbende van mening dat in het onderhavige geval van een nieuw feit geen sprake is. Na ontvangst van de loonbelastingkaart, in de eerste maanden van het jaar 1974, had de Inspecteur, wilde hij ambtelijk niet in verzuim komen, moeten nagaan welke van de tot de nabetaling gerechtigden terzake daarvan in de belastingheffing moesten worden betrokken. Hij kon daarbij niet volstaan met het opsporen van de belangrijkste erfgenaam, op gevaar af dat aan de anderen aanslagen zouden worden opgelegd, zonder dat met het gegeven rekening zou worden gehouden. Als de Inspecteur handelt zoals hij deed, komt het risico voor zijn rekening. In casu was het voor de Inspecteur eenvoudig belanghebbende op te sporen: op de loonbelastingkaart was vermeld dat kinderaftrek mogelijk was voor drie kinderen, hetgeen een aanwijzing voor de Inspecteur inhield dat niet belanghebbendes moeder de enige gerechtigde kon zijn; belanghebbende kwam evenals zijn moeder op het op de kaart genoemde adres in het kaa Bij het bekend worden van een nieuw gegeven met betrekking tot een bepaalde belastingplichtige kan van een Inspecteur vanwege het complex van interne administratieve voorschriften en het opmaken van kohieren niet ter inspectie doch op het C.A.B., redelijkerwijs niet worden verlangd dat hij het hele administratieve apparaat stop zet om dit gegeven meteen te kunnen beoordelen en verwerken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1938, B nummer 6646, blijkt dat de Raad de administratieve problemen waarvoor een grote organisatie als de belastingdienst zich geplaatst ziet, onderkent, en deze problemen zijn sindsdien eerder toe- dan afgenomen. Aangenomen kan worden dat op de kaart in het kaartenbestand van de inspectie, ten name van belanghebbendes moeder met als adres [a-straat 1] te [Z] , ten tijde van de vergelijking van de loonbelastingkaart met die kaart uit het bestand, naast belanghebbendes moeder ook genoemd werd belanghebbende als minderjarige inwonende zoon. Daaraan kan echter voor het onderhavige geschil geen betekenis worden toegekend, omdat het in dit stadium van voorbereidende werkzaamheden, waarin zoveel gegevens in zo korte tijd moeten worden verwerkt, niet mogelijk is reeds aanstonds onderzoekingen te laten verrichten met betrekking tot de belastbaarheid van en de gerechtigdheid tot de in die gegevens aangeduide inkomensbestanddelen. Dat onderzoek kan eerst bij de aanslagregeling door aanslagregelaars plaats vinden;"; Overwegende dat het Hof in rechte heeft overwogen: "dat het aan de erven van degene, die bij zijn leven pensioengerechtigd was, uitbetaalde pensioen, overeenkomstig lid 1, aanhef en letter a, alsmede lid 2 van artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met het bepaalde in lid 1 van artikel 10 van de Wet op de Loonbelasting 1964, als loon uit een vroegere dienstbetrekking genoten tot hun inkomsten uit arbeid moet worden gerekend; dat, nu belanghebbendes aandeel in het aan de erven van zijn in 1969 overleden vader in 1973 nabetaalde pensioen, groot een/achtste van ƒ 9.472,--, niet in de, overeenkomstig zijn aangifte voor de inkomstenbelasting, belastingjaar 1973, opgelegde, primitieve aanslag is begrepen, de bestreden navorderingsaanslag terecht is opgelegd, tenzij met belanghebbende zou moeten worden aangenomen dat de Inspecteur met het feit van belanghebbendes gerechtigdheid in het nabetaalde pensioen bij de vaststelling van de primitieve aanslag bekend was, dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn; dat de Inspecteur de ter inspectie binnengekomen bescheiden betrekking hebbende op aan de erven van een gepensioneerde werknemer opgekomen nabetaling van pensioen - afgezien van de gevallen waarin aanstonds duidelijk is dat die bescheiden moeten leiden tot het opleggen van een voorlopige aanslag - zonder een onderzoek naar de andere gerechtigden te doen instellen, doet opbergen in de legger van de echtgenoot van de overledene, waarna dat onderzoek pas wordt ingesteld bij de regeling van de aanslag van deze echtgenoot; dat, wat ook van deze werkwijze in haar algemeenheid zij, in een geval als het onderhavige waarin blijkens de op de desbetreffende loonbelastingkaart voorkomende gegevens inzake de kinderaftrek, en het ter inspectie aanwezige kaartenbestand, een duidelijke aanwijzing bestond, dat meer dan één erfgenaam aanwezig was naar 's Hofs oordeel redelijk handelen met zich brengt dat de Inspecteur aan de loonbelastingkaart - in casu door hem ontvangen op of voor 1 juli 1974 - zo tijdig en zoveel aandacht schenkt dat ten tijde van de regeling van de aanslag van de medeerfgenaam - in casu op 9 september 1974 - in de legger van laatstbedoelde een stuk is gedeponeerd waaruit blijkt van de gerechtigdheid tot het loon, tenzij bijzondere omstandigheden zulks zouden hebben verhinderd; dat, nu in casu is volstaan met het opbergen van de loonbelastingkaart in de legger van de moeder van belanghebbende, nadat daarop haar naam was aangetekend, en niet aannemelijk is geworden dat zich bi De omstandigheid dat blijkens de op de onderhavige loonbelastingkaart voorkomende gegevens inzake de kinderaftrek, en het ter inspectie aanwezige kaartenbestand, een duidelijke aanwijzing bestond, dat meer dan één erfgenaam aanwezig was, doet naar het oordeel van de Staatssecretaris aan het vorenstaande niet af. Uiteraard moet er voor worden gewaakt dat de definitieve beoordeling van dergelijke niet direct plaatsbare gegevens op een redelijke termijn plaatsvindt maar de Staatssecretaris is van mening dat dit in het onderhavige geval zeker is geschied. Naar zijn oordeel is door de administratie van de inspectie geen "fout" gemaakt. Voor het geval de Hoge Raad het hierboven verdedigde standpunt deelt, dient nog te worden nagegaan of de omstandigheid dat het kohier waarin belanghebbendes aanslag is opgenomen pas op 13 november 1974 door de Inspecteur is ondertekend terwijl de beoordeling van de loonbelastingkaart, waarbij voor het eerst een aanslagregelaar bekend werd met de nabetaling en met de tot die nabetaling gerechtigden, reeds op 23 oktober 1974 had plaatsgevonden, aan de mogelijkheid een navorderingsaanslag op te leggen in de weg staat. Naar het oordeel van de Staatssecretaris is dit niet het geval. Hij is met de Inspecteur van mening dat in het onderhavige geval redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat de aanslag nog zou worden tegengehouden, zodat ook in dit verband niet van een "fout" kan worden gesproken. De Staatssecretaris moge in dit verband wijzen op de uitspraak van het Hof Amsterdam van 26 mei 1976, rolnummer 68/75, B.N.B. 1977/85, waarin een vergelijkbaar geval aan de orde was."; Overwegende aangaande dit middel: dat het Hof heeft vastgesteld: dat de betreffende loonbelastingkaart voor 1 juli 1974 ter inspectie was binnengekomen; dat deze loonbelastingkaart vermeldde als werknemer "Erven [A] " en als adres op 31 december 1973 " [a-straat 1] te [Z] " en voorts dat de werknemer gehuwd was en voor drie kinderen recht op kinderaftrek bestond; dat de primitieve aanslag voor het jaar 1973 ter kennis van belanghebbende is gebracht bij aanslagbiljet met dagtekening 30 november 1974, nadat het betreffende kohier door de Inspecteur was ondertekend op 13 november 1974; dat het Hof heeft geoordeeld, dat blijkens de op die loonbelastingkaart voorkomende gegevens inzake de kinderaftrek en het ter inspectie aanwezige kaartenbestand een duidelijke aanwijzing bestond, dat meer dan één erfgenaam aanwezig was en dat in zo een geval redelijk handelen met zich brengt dat de Inspecteur aan de loonbelastingkaart zo tijdig en zoveel aandacht schenkt dat ten tijde van de regeling van de aanslag van de medeerfgenaam - waaronder het Hof kennelijk verstaat het paraferen van de door de Inspecteur genoemde elementennota, hetgeen in casu op 9 september 1974 is geschied - in het dossier van die medeerfgenaam een stuk is gedeponeerd, waaruit blijkt van de gerechtigdheid tot het loon, tenzij bijzondere omstandigheden zulks zouden hebben verhinderd; dat het Hof, na te hebben vastgesteld dat in casu is volstaan met het opbergen van de loonbelastingkaart in het dossier van de moeder van belanghebbende nadat daarop haar naam was aangetekend, heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat zich zodanige bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan; dat het Hof met laatstgemeld oordeel heeft verworpen het standpunt van de Inspecteur dat aangezien in korte tijd zoveel gegevens ter inspectie verwerkt moeten worden een onderzoek naar niet aanstonds plaatsbare gegevens als de onderhavige redelijkerwijs kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de aanslagregeling zal plaatsvinden; dat deze oordelen zodanig zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst; dat deze oordelen in het licht van de daarvoor bijgebrachte feiten niet onbegrijpelijk zijn; dat het Hof door uitgaande van zijn voormelde oordelen te beslissen, dat een nieuw feit voor navordering ten laste van belanghebbe