Rechtspraak Hoge Raad 1977-02-22
ECLI:NL:HR:1977:AC5895
22 februari 1977 Nr. 68580 E.Z. De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [rekwirant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, van beroep hulpkracht P.T.T., wonende te [woonplaats] , rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 31 mei 1976, waarbij in hoger beroep — met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 6 oktober 1975 — de rekwirant ter zake van ‘’opzettelijk enige handeling door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren’’ is veroordeeld tot betaling van een geldboete van veertig gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis gedurende acht dagen met bevel tot teruggave van het in het arrest nader aangeduide voorwerp; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens de rekwirant door Mr. P.H. Bakker Schut, advocaat te Utrecht, voorgedragen bij pleidooi, luidende: ‘’Schending van het recht doordat het hof een onjuiste interpretatie heeft gegeven van de artt. 184 W.v.Sr. en 28 Politiewet. Toelichting. a. Aan de orde is een klassiek geval van détournement de pouvoir: politiefunktionarissen, die zich belasten met de handhaving van de openbare orde, maken gebruik van bevoegdheden die hen met het oog op de behartiging van andere belangen zijn gegeven. In kasu gaat het om inbeslagneming van enig voorwerp, waartoe in de Politiewet nergens aan de politie de bevoegdheid is verleend. Het mag er niet voor worden gehouden — hetgeen namelijk de konsekwentie van zo'n bevoegdheid zou zijn — dat politiefunktionarissen het mede tot hun werkzaamheden mogen rekenen om — in de openbare ordesfeer — als herverdelers van goederen op te treden. Dit klemt temeer omdat in de politiële sfeer geen procedure is aangewezen om te bepalen wie de rechthebbende op ‘’inbeslaggenomen’’ goederen is. De juridische eenduidigheid waarmee deze ‘’inbeslagneming’’ zowel door de inbeslagnemende brigadier van politie als door de hoofdofficier van justitie te Utrecht wordt benaderd, blijkt uit het volgende: 1. Een op 1 mei 1975 gedateerd en door de brigadier van politie [betrokkene 1] ondertekend en aan rekwirant uitgereikt ‘’Bewijs van Ontvangst’’ behelst de mededeling: ‘’Door personeel van afdeling II werd inbeslaggenomen ten behoeve van justitieel onderzoek een rode vlag en een vlaggestok van plm. 120 cm, voorzien van een gebroken knop’’. 2. In een brief van 6 oktober 1975 deelt de hoofdofficier van justitie te Utrecht, [betrokkene 2], aan rekwirant mede: ‘’In antwoord op uw brief van 2 oktober j.l. deel ik u mede dat de eventuele teruggave van de door u bedoelde vlag zal worden bezien, zodra in de daarmee samenhangende strafzaak tegen u onherroepelijk zal zijn beslist. Tot enig eerder ingrijpen mijnerzijds acht ik geen reden aanwezig’’. Onmiskenbaar is derhalve, dat de inbeslagneming hier functioneert in het kader van art. 94 Sv. Was de inbeslagneming werkelijk alleen maar in het kader van de handhaving van de openbare orde geweest, dan had in ieder geval tot teruggave moeten worden besloten, zodra een eventuele ordeverstoring was beëindigd, althans de kans op herhaling was geweken i.c. ten laatste op 2 mei 1975. Aangezien aldus de inbeslagneming(shandeling) niet kan worden gezien als een rechtmatige uitvoering van het wettelijk voorschrift, zijnde art. 28 Politiewet, en art. 184 Sr. alleen betrekking heeft op rechtmatige uitvoeringshandelingen — zij het dat dit slechts stilzwijgend in de wet zijn uitdrukking heeft gevonden; maar een andere opvatting is onaanvaardbaar, omdat dat zou betekenen dat men onrechtmatige overheidshandelingen niet zou mogen belemmeren — daarom diende rekwirant te worden vrijgesproken omdat hetgeen ten laste werd gelegd niet Ik nam die vlag onder mij, omdat ik zag en hoorde dat al het gejoel en de zichtbare opwinding van de jongeren uit de menigte die vlag gold en ik door die onder mij te nemen een einde wilde maken aan die wanordelijkheid. De verdachte, die zich toen bij mij bevond, zei dat het zijn vlag was en dat hij die terug wilde hebben. Ik heb hem geantwoord, dat ik de vlag in beslag nam. In een toen ontstane verwarde toestand van dringende en duwende mensen heeft de verdachte daarop de stok van de vlag, die ik vast had, met twee handen beetgepakt en daaraan met kracht gerukt en getrokken’’; b. de getuige [betrokkene 3]: 'Op 1 mei 1975 begaf ik mij, dienstdoende als agent van gemeentepolitie te Utrecht, naar het Stadhuis te Utrecht. Daar zag ik, dat aan de gevel van het Stadhuis een rode vlag was bevestigd, terwijl aan de overzijde van de straat veel mensen luid stonden te joelen. Die menigte nam in aantal toe door toestromende nieuwsgierigen. Met collega-politieagenten heb ik de vlag van het Stadhuis los gemaakt, maar de verdachte, die uit de menigte naar voren was gekomen, greep de vlag en nam hem mee naar de overkant van de straat. Daarop kwam de brigadier van de gemeentepolitie [betrokkene 1] ter plaatse en met hem ben ik op de joelende menigte aan de overkant van de straat toegegaan, waar [betrokkene 1] even met die mensen heeft gepraat, zeggende dat die vlag niet aan het Stadhuis mocht worden bevestigd. Vervolgens zijn wij het Stadhuis ingegaan. Kort daarop deelde een stadhuisbode ons mede, dat er weer een rode vlag aan het Stadhuis hing. [betrokkene 1] en ik zijn weer naar buiten gegaan en ik zag dat er een rode vlag met de stok waar hij aanhing aan het Stadhuis was bevestigd. Ik heb die toen losgemaakt en [betrokkene 1] nam hem van mij over. Inmiddels was de joelende menigte aan de overkant van de straat nog aangegroeid en een aantal mensen daaruit begon de straat over te steken en naar het Stadhuis op te dringen, waar wij met de vlag bezig waren. Ik zag en hoorde dat het voorwerp van hun opwinding die vlag was en wat daarmee gebeurde. De verdachte was naar ons toe komen lopen en zei, dat het zijn vlag was en dat hij die terug wilde hebben. [betrokkene 1] antwoordde hem, dat de vlag in beslag was genomen. Even later heeft de verdachte de stok van de vlag, die [betrokkene 1] in zijn handen had, beetgepakt, zeggende: het is mijn vlag, en ik zag dat hij er met kracht aan rukte en trok’’; Overwegende ten aanzien van het middel: dat het Hof, voor zover van belang in verband met het middel, nog heeft overwogen: ‘’dat het Hof, waar in het als bewezen aangenomene overeenkomstig de telastelegging vermeld staat dat de brigadier van gemeentepolitie [betrokkene 1] ‘’ter handhaving van de openbare orde een vlaggestok met rode vlag in beslag genomen had’’ en dat ‘’deze inbeslagneming geschiedde ter uitvoering van artikel 28 van de Politiewet’’, daaronder — overeenkomstig de kennelijke bedoeling van de steller van de telastelegging — verstaat dat die ambtenaar die stok met vlag onder zich had genomen om aan de vermelde wanordelijkheden een eind te maken en dat dit onder zich nemen geschiedde ter uitvoering van voormeld wetsartikel; dat het gebruik van de termen ‘’inbeslag genomen’’ en ‘’inbeslagneming’’ in de telastelegging er geenszins toe noopt daaraan de betekenis te hechten die in artikel 94 e.v. van het Wetboek van Strafvordering aan die termen wordt gegeven’’; dat blijkens vorenstaande overweging het Hof de telastelegging aldus heeft verstaan — en ook heeft kunnen verstaan — dat de ‘’inbeslagneming’’ van de vlaggestok met rode vlag, die volgens die telastelegging geschiedde ter uitvoering van artikel 28 van de Politiewet, niet was een inbeslagneming in de zin van de derde afdeling van de vierde titel van het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering, maar een onder zich nemen ter daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde, als in voormeld artikel bedoeld, zodat het middel te dezen feitelijke grondslag mist; dat het Hof op grond van de