Rechtspraak Hoge Raad 1977-02-11
ECLI:NL:HR:1977:AC1827
11 februari 1977 E.Z. De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. 11.058 van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 februari 1976, kosteloos procederende krachtens beschikking van de Hoge Raad van 7 mei 1976, vertegenwoordigd door Mr. J. Groen, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n de Staat der Nederlanden , wiens zetel is te ’s-Gravenhage, verweerder in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. E. Droogleever Fortuijn, mede-advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Franx in zijn conclusie strekkende tot verwerping van het cassatieberoep met verwijzing van eiser in de daarop gevallen kosten; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt: dat eiser, [eiser] , bij exploot van 3 juli 1975 de Staat in kort geding voor de President van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage heeft gedagvaard, vorderende dat de President de Staat zal verbieden (of zal gebieden niet) langer dan veertien dagen, althans langer dan een aantal dagen door de President vast te stellen, de executie van zijn gevangenisstraf na het te dezen te wijzen vonnis voort te zetten, - subsidiair de Staat zal gebieden de strafexecutie binnen veertien dagen, althans binnen een aantal dagen door de President vast te stellen, te schorsen, - meer subsidiair zal verbieden (of zal gebieden niet) langer dan voorzegde termijn, de executie van de gevangenisstraf na het te dezen te wijzen vonnis voort te zetten voor een periode, welke eindigt met de vaststelling door deskundigen van het Psychiatrisch Observatie Kliniek te Utrecht, dat [eiser] verkeert in een geestelijke en lichamelijke toestand, welke zodanig is dat zijn vermogen om verdere strafexecutie te ondergaan gelijk is althans niet minder is dan ten tijde van het onderzoek van [eiser] verricht door het Psychiatrisch Observatie Kliniek in Utrecht in het jaar 1972 en door de Staat gelast; dat de gronden van deze vordering door de President in zijn straks te noemen vonnis zijn weergegeven; dat het van belang is uit die gronden het volgende te citeren: ‘’dat [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1908, te [geboorteplaats] , sinds mei 1945 in Nederlandse gevangenschap verblijft en door het Bijzondere Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 1948 tot de doodstraf is veroordeeld, van welke veroordeling het beroep door de Bijzondere Raad van Cassatie is afgewezen op 15 december 1949, doch welke veroordeling niet door de Staat is tenuitvoergelegd, maar twee jaar na in kracht van gewijsde te zijn gegaan in december 1951 is omgezet in levenslange gevangenisstraf, welke straf tot op heden wordt geëxecuteerd, terwijl sedert 29 september 1971, althans daaromtrent, een gratie-verzoek van [eiser] , strekkende tot invrijheidstelling binnen afzienbare tijd, als ook sedert 23 april 1975, een verzoek van [eiser] tot – tijdelijke – schorsing van de voortdurende strafexecutie, door de Staat worden behandeld; dat ten gevolge van een ernstige hersenbloeding in het najaar van 1973 de lichamelijke en geestelijke toestand van [eiser] dramatisch is verslechterd; dat hij tevoren al een zeer zwakke gezondheid had en hartpatient was en ook geestelijk niet de gevolgen van de lange strafexecutie kon verwerken, maar tenminste nog in staat was behoorlijk te kunnen lopen, spreken en relatief geordend te denken; dat ten gevolge van voormelde hersenbloeding [eiser] thans, alhoewel zijn lichamelijke en geestelijke toestand is gestabiliseerd, verworden is tot een wrak, zich op krukken door de gevangenis voortsleept, nauwelijks verstaanbaar kan spreken, niet meer kan schrijven, niet meer kan lezen en nauwelijks geordend kan denken en verkeert in een zodanige toestand, dat de R.K. aalmoezenier van de gevangenis het nodig heeft geoordeeld om op 18 mei 1975 [eiser] het R.K. sacrament des stervenden toe te dienen;’’; dat de Staat tegen de vordering van [eiser] verweer heeft gevoerd; dat de President de vorder dat [eiser] vervolgens tot grondslag van zijn voormelde stelling aanvoert, dat voortzetting van de hem opgelegde gevangenisstraf geen in onze strafrechtspleging erkend doel meer kan dienen, zodat de tenuitvoerlegging daarvan moet worden beëindigd; dat weliswaar de Regering aanvankelijk, en wel bij brief van 16 februari 1972 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dit oordeel heeft onderschreven, en dit oordeel na de daarop gevolgde openbare hoorzitting en Kamerdebatten in een communiqué heeft gehandhaafd, doch in dat communiqué tegelijkertijd heeft vermeld, dat de Regering tevens de in de Kamer aangevoerde argumenten aanvaardt, dat in deze bijzondere gevallen (van ‘’de drie van Breda’’) naast juridische de sociaal-psychologische factoren sterker in het oordeel dienen te worden betrokken; dat naar Ons aanvankelijk oordeel tijdens en door vorenbedoelde openbare hoorzitting en Kamerdebatten, alsmede door latere beschouwingen van juridische en sociaal-psychologische aard duidelijk is geworden, dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient, om in ieder geval het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten, en om te voorkomen, dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd; dat dan ook, zolang in redelijkheid mag en moet worden aangenomen, dat vorenomschreven doel van de aan [eiser] opgelegde straf zijn werking heeft – [eiser] heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, dat zulks niet langer het geval is -, niet gezegd kan worden, dat de Regering de grenzen van het recht overschrijdt en aldus willekeurig handelt tegenover [eiser] dan wel misbruik van overheidsgezag maakt tegenover hem; c. dat [eiser] verder aanvoert, dat de Regering te zijnen opzichte handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, doordat zij in alle andere gevallen, waarin doodstraf is uitgesproken (meer dan negentig), deze heeft omgezet in levenslange en daarna in tijdelijke gevangenisstraf, doch naar Ons aanvankelijk oordeel ten onrechte, nu uit de uiteenzetting namens de Regering ter zitting – welke [eiser] niet heeft weersproken – duidelijk is geworden, dat te dezen geregeld selectie heeft plaatsgevonden en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep, waarvan de Regering oordeelt, dat zij de ergste misdrijven heeft begaan; d. dat [eiser] ten slotte in deze heeft aangevoerd, dat de Staat bij [eiser] de verwachting heeft opgewekt, dat de strafexecutie zou worden beëindigd, doch naar Ons aanvankelijk oordeel ten onrechte, nu uit de gang van zaken te dezen, ter zitting nader uiteengezet en niet door [eiser] weersproken, duidelijk is geworden, dat de Regering, toen zij destijds haar voornemen bekend maakte gratie-verlening te zullen bevorderen, het uitdrukkelijk voorbehoud heeft kenbaar gemaakt haar oordeel te zullen toetsen aan dat van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en uit de daarop gevolgde gang van zaken dat voorbehoud zonder meer is gebleken; e. dat uit een en ander volgt, dat de vorderingen van [eiser] als ongegrond behoren te worden afgewezen;’’; dat [eiser] in hoger beroep is gegaan bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage dat bij het thans bestreden arrest het vonnis van de President heeft bekrachtigd na te hebben overwogen: ‘’1. dat de President in het bestreden vonnis vooreerst heeft overwogen en beslist dat naar zijn aanvankelijk oordeel verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zowel door de lengte daarvan alsook door de fysieke en psychische toestand van [eiser] niet in strijd is met de beginselen van Nederlands recht en van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden – daartoe overwegende dat levenslange gevangenisstraf levenslang mag worden tenuitvoergelegd, - dat een zich verslechterende fysieke en psychische toestand van de veroordeelde zich tegen levenslange tenuitvoerlegging niet verzet, zolang gezegd moet worden dat die verslechtering er ene is, die iedere ouder wordende mens kan overkomen, en dat de tweede grief is gericht tegen het verwerpen door de President van de mede als grondslag van zijn vordering door [eiser] geponeerde stelling, dat voorzetting van de hem opgelegde gevangenisstraf geen in onze strafrechtspleging erkend doel meer kan dienen, zodat de tenuitvoerlegging daarvan moet worden beëindigd; 11. dat de President te dien aanzien heeft overwogen, dat niet gezegd kan worden dat de Regering de grenzen van het recht overschrijdt en aldus willekeurig handelt tegenover [eiser] dan wel misbruik van overheidsgezag maakt tegenover hem, nu moet worden aangenomen, dat een straf als waarvan hier sprake is mede dient om het leed van de slachtoffers van misdrijven van de soort als door [eiser] gepleegd te verlichten, en om te voorkomen dat door vrijlating van een man als [eiser] dat leed wordt verergerd; 12. dat naar ’s Hofs oordeel [eiser] voor de bestrijding van het vonnis van de President op dit punt en voor de eis dat hij in vrijheid zal worden gesteld, ten onrechte een beroep doet op wat de Regering heeft aangevoerd in de Staten-Generaal, toen een eventuele gratie werd overwogen, terwijl ook het oordeel van de Regering of van rechtsgeleerde schrijvers over het doel van de straf geen effect kan hebben op de rechtmatigheid daarvan, zolang de strafwet de duur der daarin gestelde straffen niet van het door [eiser] gehanteerde criterium afhankelijk heeft gemaakt; 13. dat het immers in casu er om gaat of voortzetting van de straf onwettig zou zijn, of in strijd met het Europese Verdrag, terwijl het niet aan de rechter is het beleid van de Regering, in het bijzonder het gratiebeleid, ten aanzien van [eiser] te toetsen; 14. dat toch niet gezegd kan worden, dat de Staat onrechtmatig handelt als hij aan [eiser] geen gratie verleent, en ook niet als hij de wet toepast zolang deze een levenslange gevangenisstraf kent, welke ook niet wordt verboden door het Europese Verdrag; 15. dat dus ook deze grief niet opgaat; 16. dat de derde grief inhoudt, dat de President ten onrechte heeft verworpen de stelling van [eiser] dat de Staat ten aanzien van hem handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel; 17. dat de President dit echter terecht heeft gedaan, overwegende dat de Regering onweersproken heeft gesteld dat ten aanzien van de oorlogsmisdadigers regelmatig een selectie is toegepast en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, welk oordeel het Hof onderschrijft; 18. dat daarom ook deze grief wordt verworpen; 19. dat in de vierde grief wordt geklaagd, dat de President ten onrechte heeft aangenomen dat de Staat niet bij [eiser] de verwachting heeft opgewekt de strafexecutie te zullen beëindigen; 20. dat het hier gaan om het feit, dat een gratie-verzoek van of voor [eiser] in behandeling is genomen en dat daarover overleg is gepleegd in de Staten-Generaal en daarmede de zaak in de openbaarheid is gekomen, doch dat nimmer van tevoren vaststaat dat gratie ook zal worden verleend als deze overweging wordt genomen en ook in casu niet was te kennen gegeven dat dit zou geschieden, en derhalve, al mag [eiser] de hoop gekoesterd hebben dat hij gratie zou krijgen, niet gezegd kan worden dat de Staat bij [eiser] de verwachting heeft gewekt dat de strafexecutie zou worden beëindigd; 21. dat de grief dus faalt; 22. dat [eiser] er in de vijfde grief over klaagt, dat de President zijn vordering heeft afgewezen en ongegrond heeft verklaard door de posita van de Staat als bewezen te aanvaarden, zonder dat deze door [eiser] zijn erkend, en door [eiser] ’s bewijsaanbod van zijn posita te passeren; 23. dat de feiten, die door de President in zijn vonnis als vaststaande zijn aangenomen, zijn vermeld sub 1 der rechtsoverwegingen, en deze inderdaad niet door [eiser] zijn betwist, en dat voorts terecht door de President is overwogen, dat weliswaar de fysieke en psychische toestand van [eiser] bijzonder slecht is – als bij dagvaarding omschreven en door de Staat erkend -, doch dat niet i 3 en 4 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht, met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met een regel van ongeschreven gewoonterecht luidende ‘’dat een levenslange gevangenisstraf niet levenslang mag worden tenuitvoergelegd’’; Immers in een rechtsstaat als onze huidige staat mag in het algemeen geen straf worden tenuitvoergelegd op onmenselijke wijze; en het executeren van levenslange gevangenisstraf tot de dood er op volgt, is onmenselijk en onwaardig (zie daartoe de door [eiser] in vorige instanties naar voren gebrachte opinies der rechtsgeleerde schrijvers); en de executie van de levenslange gevangenisstraf tot de dood er op volgt ook niet meer sinds 1900 is tenuitvoergelegd en sinds jaar en dag de gewoonte bestaat dat, mocht een dergelijke straf door de rechter opgelegd worden, dusdoende het maximum aangevende waartoe de executieve mag gaan, de executieve steeds de veroordeelde door middel van gratie of anderszins (Lages) na geruime tijd op jaren heeft gesteld; en de Staat op onmenselijke wijze executerende en in strijd met voormelde ongeschreven regels van gewoonterecht zich schuldig maakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, derhalve onrechtmatige overheidsdaad; zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet met redenen omkleed naar de eisen der wet. II. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 5 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; Immers baseert het Hof de conclusie dat de physieke toestand van [eiser] zich niet verzet tegen levenslange gevangenisstraf op de algemene stelling dat ‘’een zich verslechterende physieke en/of psychische toestand van de veroordeelde, die elk ouder wordend mens kan overkomen, zich niet verzet tegen levenslange tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf.’’ Nu deze stelling onderscheidend vermogen ontbeert, daar immers ieder mens alles kan overkomen, kan deze stelling niet dienen tot maatstaf aan de hand waarvan zou kunnen worden nagegaan, of verdere executie onrechtmatig is. III. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 5 en 6 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de artikelen 3, 5, 5a en 15 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede artikel 77 van de Grondwet en de artikelen 1 en volgende van het K.B. van 13-12-1887, Stb. 215, immers constateert het Hof hier slechts, dat het verdrag klaarblijkelijk niet er van uitgaat, dat levenslange gevangenisstraf in het algemeen onmenselijk is; doch laat het Hof na te onderzoeken, of de levenslange gevangenisstraf in het kader van het verdrag onmenselijk geacht moet worden, onder de omstandigheden van [eiser] ; dit klemt te meer, nu [eiser] geestelijk en lichamelijk een wrak is, die uitsluitend door de executieve in leven wordt gehouden om op hem de levenslange gevangenisstraf te executeren; daarenboven De executie van de straf kan niet worden gebezigd tot een doel dat niet in het strafrecht is erkend. Doet de Staat zulks toch, dan handelt hij onrechtmatig, zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. VIII. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 13 en 14 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 77 van de Grondwet en de artikelen 1 en volgende van het K.B. van 13-12-1887, Stb. 215, nu immers het er te dezen niet om gaat of voortzetting van de executie onrechtmatig is ten opzichte van [eiser] . Dit klemt te meer, nu het wel degelijk aan de Rechter is, om het beleid van de Regering, in het bijzonder het gratiebeleid te toetsen, zij het dat een dergelijke toetsing ‘’marginaal’’ uitsluitend geschiedt. Het beleid van de Regering ten opzichte van [eiser] is onrechtmatig, nu immers te dezen voor gratie is afgeweken van de gebruikelijke procedure – neergelegd in het gratiebesluit voormeld – door de Tweede Kamer der Staten-Generaal ‘’inspraak’’ te geven in de uitoefening van een prerogatief van de Kroon. Daarmee heeft de Staat de gelegenheid gegeven tot gevoelsuitingen, welke uitingen zo grote vormen hebben aangenomen, dat zij thans kennelijk de Staat van zijn rechtsplicht afhouden. De Staat kan deze rechtsplicht niet volbrengen, doordat hij door gemelde gevoelsuitingen in een noodtoestand is geraakt, die hij evenwel door gemelde ‘’inspraak’’ zelf heeft opgeroepen. Daarmede handelt de Staat onrechtmatig ten aanzien van [eiser] . VIII. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd, of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 16 en 17 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met de ongeschreven dat ‘’gelijke monniken gelijke kappen’’ behoren te dragen, immers tegen de stelling van de Regering, dat ten aanzien van oorlogsmisdadigers regelmatig een selectie is toegepast en [eiser] duidelijk behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, heeft [eiser] in vorige instantiën naar voren gebracht, dat uit de wetenschappelijke publikaties en de opinies van rechtsgeleerde schrijvers, met name de dissertatie van Rüter, naar voren komt, dat met name na 1962 geen sprake is van gerichte selectie, doch van willekeur. Ten aanzien van Lages is de executie destijds opgeschort. Bovendien de stelling, dat [eiser] behoort tot de rest-groep die geoordeeld moet worden de ergste misdrijven te hebben begaan, is een onbewezen stelling; ’s Hofs onderschrijving daarvan, mist feitelijke grondslag, zijnde het bestreden arrest op dit punt in elk geval niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. IX. Schending van het Nederlandse recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm, doordat het Gerechtshof heeft overwogen als in zijn arrest onder nr. 22 – 26 weergegeven, zulks ten onrechte en in strijd met het Nederlandse recht en met name met de 1e, 2e en 3e titel van het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek. Immers zonder feitelijke grondslag (het rapport van de psychiatrische observatiekliniek voor het gevangeniswezen uitgebracht in 1972 en 1973, dat daartoe zou dienen is niet overgelegd) stelt het Hof, ‘’dat niet is gebleken, of aannemelijk gemaakt, dat die anders moet worden beoordeeld dan als een toestand waarin Zij waren derhalve ter zake dienende; derhalve had het Hof aan [eiser] de gelegenheid tot bewijslevering niet mogen onthouden, terwijl het Hof evenmin stelt, dat het aanbod niet ernstig gemeend of niet voldoende bepaald is, terwijl uit de twee getuigeverklaringen duidelijk naar voren komt hetgeen [eiser] op dit punt te bewijzen aanbood.;’’; Overwegende met betrekking tot de middelen van cassatie: dat [eiser] , die door het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam op 14 december 1948 tot de doodstraf is veroordeeld en aan wie in december 1951 bij Koninklijk Besluit in dier voege gratis is verleend dat deze straf is omgezet in levenslange gevangenisstraf, in de onderhavige procedure aanvoert, dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door de levenslange gevangenisstraf thans nog langer ten uitvoer te leggen; dat, al is het in beginsel mogelijk, dat de rechter een rechtsvordering als de onderhavige van een gevangene tegen de Staat toewijst, de Nederlandse wetgeving de rechter bij de beoordeling van een dergelijke vordering tot terughoudendheid noopt; dat immers de Grondwet in artikel 77 het recht van gratie van straffen door rechterlijk vonnis opgelegd aan de Koning geeft, waaraan het grondwetsartikel toevoegt dat de Koning het recht van gratie uitoefent na het advies van de rechter te hebben ingewonnen; dat voorts de Beginselenwet gevangeniswezen de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in handen van de Minister van Justitie legt en aan de rechterlijke macht daarbij geen taak toekent, welke regeling is tot stand gekomen na nauwgezette overweging van de vraag of de rechterlijke macht in de tenuitvoerlegging diende te worden betrokken; Overwegende ten aanzien van de middelen I en III, voor zover daarin wordt geklaagd over schending van bepalingen van het Verdrag van Rome ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: dat geen van de bepalingen van het Verdrag steun geeft aan de door [eiser] verdedigde stelling dat een levenslange gevangenisstraf niet tot het overlijden van de veroordeelde mag worden tenuitvoergelegd, wanneer de gevangene na de veroordeling geruime tijd in de gevangenis heeft doorgebracht; dat er geen sprake is van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of straf in de zin van artikel 3 van het Verdrag, wanneer de Staat bij ernstige achteruitgang van de gezondheidstoestand van de veroordeelde voortgaat met de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf, mits hem een passende medische verzorging wordt verstrekt; dat het Gerechtshof wat dit laatste betreft heeft beslist – welk feitelijk oordeel in cassatie niet is bestreden – dat [eiser] een goede en zorgvuldige behandeling en verzorging ondervindt; dat de middelen I en III, voor zover klagend over schending van bepalingen van het Verdrag van Rome, mitsdien tevergeefs zijn voorgesteld; Overwegende dat ook in middel II wordt geklaagd over schending van die verdragsbepalingen, maar deze klacht in wezen de motivering van het bestreden arrest betreft, zodat daarbij niet aan de orde is of de Staat in strijd met de verdragsbepalingen heeft gehandeld; Overwegende thans ten aanzien van de middelen I, II en III voor zover daarin wordt geklaagd over schending van bepalingen van de Nederlandse wetten en rechtsbeginselen en over verzuim van vormen; dat geen wetsregel, geen regel van ongeschreven recht en geen rechtsbeginsel de Staat verbiedt een levenslange gevangenisstraf ten uitvoer te leggen tot de veroordeelde overlijdt, ook niet wanneer deze al geruime tijd na de veroordeling in de gevangenis heeft doorgebracht; dat dit evenmin het geval is, wanneer de gezondstoestand van de veroordeelde in ernstige mate achteruitgaat, mits hem een passende medische verzorging wordt verstrekt, hetgeen naar ’s Hofs feitelijke beslissing met [eiser] het geval is; dat hetgeen door de President van de Rechtbank is overwogen en door het Hof in zijn arrest is overgenomen omtrent de achteruitgang van de fysieke en psychische toestand, die iedere oud