Rechtspraak Hoge Raad 1975-06-10
ECLI:NL:HR:1975:AJ4297
10 juni 1975 Nr. 67757 LM De Hoge Raad der Nederlanden , Op het beroep van [rekwirant] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1921, wonende te [woonplaats] , rekwirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 1974, houdende — na verwijzing van de zaak bij arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1974 — in hoger beroep bevestiging met aanvullingen als in het bestreden arrest vermeld van een vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 10 mei 1973, waarbij de rekwirant terzake van het tenlastegelegde is veroordeeld tot een geldboete van twintig gulden, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis, hebbende het Hof het tenlastegelegde bewezen verklaard en het bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘’overtreding van een gedragsregel vastgesteld krachtens artikel 8 in verband met artikel 119 (bord 49 van bijlage II) van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens’’; Gehoord het verslag van de raadsheer-rapporteur; Gezien het gerechtelijk schrijven namens de Procureur-Generaal aan de rekwirant uitgereikt ter kennisgeving van de dag voor de behandeling van deze zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie, namens de rekwirant door Mr. W.J.Welfort, advocaat te ‘s-Gravenhage, voorgesteld en toegelicht bij schriftuur, luidende: ‘’Schending of verkeerde toepassing van de wet, in het bijzonder van artikel 86 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens; Toelichting: De vraag of hier een strafbaar feit is begaan, met name of een parkeerverbod door client is overtreden, spitst zich toe op de volgende vragen: Kunnen ‘’kentekenbewijzen’’ al dan niet als ‘’goederen’’ worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 86 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en kan het ‘’leggen in’’ of het ‘’brengen uit’’ de auto van die kentekenbewijzen worden aangemerkt als ‘’laden’’ of ‘’lossen’’ als in genoemd artikel bedoeld? Kentekenbewijzen vallen onder de omschrijving van roerende goederen, zoals die te vinden is in de 4e afdeling van titel 1 van boek II van het burgerlijk wetboek. Indien bij de wet die uitdrukking wordt gebezigd, wordt die uitdrukking geacht de voorwerpen te betreffen in genoemde afdeling van het burgerlijk wetboek gedefinieerd, aldus artikel 568 van het burgerlijk wetboek. In de 5e afdeling van titel 13 van boek II van het wetboek van koophandel, dat handelt over het vervoer van goederen, is het begrip ‘’goederen’’ niet nader omschreven. Analogische interpretatie conform het begrip van ‘’goederen’’ zoals dat in het burgerlijk wetboek omschreven is, ligt voor de hand. Datzelfde geldt met betrekking tot het begrip ‘’goederen’’ bedoeld in het artikel 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. Ik betwist, dat het begrip ‘’goederen’’ door de omvang daarvan bepaald wordt. Deze beperking is niet op de wet gebaseerd. De procureur-generaal bij uw raad noemde ter gelegenheid van de eerste behandeling van deze zaak voor uw raad de telegrambesteller die parkeerde en van wie aangenomen werd dat hij daartoe op grond van de handelingen die hij verrichtte ook het recht had. De handelingen van client verschilden nauwelijks van die van de telegrambesteller! Kan het ‘’afgeven’’ of ‘’ophalen’’ van kentekenbewijzen worden aangemerkt als ‘’lossen’’ of ‘’laden’’? Het gaat niet om het ‘’afgeven’’ of ‘’ophalen’’ want dat gebeurt i.c. in het belastingkantoor, maar om het ‘’leggen in’’ of ‘’brengen uit’’ de auto van de kentekenbewijzen. ‘’Laden’’ is volgens Van Dale ‘’iets op iets leggen’’; etymologisch is ‘’laden’’ gelijk aan ‘’leggen’’. ‘’Lossen’’ is volgens Van Dale: ‘’brengen uit’’; etymologisch ‘’vrij maken van’’. ‘’Brengen uit’’ de auto en ‘’leggen in’’ de auto is synoniem met ‘’lossen’’ en ‘’laden’’. De procureur-generaal bij uw raad verklaarde destijds niet nader hoe hij tot de m.i. onjuiste opvatting komt, dat een parkeren als client deed, niet met de ratio van de wet overeenkomt. Hij noemt geen bron, waaruit hij het materiaal voor deze stelling put. Naar mijn mening moet de wetgever hebben bedoeld het willekeurig laten staan van een auto te hebben willen tegengaan. In het onderhavige geval is de auto niet op een willekeurige plaats geparkeerd, maar concreet bij het gebouw, waar client de kentekenbewijzen uit de auto bracht of ze daarin legde. De zaak zou anders hebben gelegen, indien client de auto ergens zou hebben laten staan om geen andere reden, dan dat hij de auto kwijt wilde om een wandelingetje te maken. Ik wil tenslotte ingaan op de noot, die prof. mr. T.W. van Veen bij de uitspraak van uw raad plaatste in NJ 1974 no 331. Bovenaan pag. 882, 2e kolom, vermeldt de annotatie: ‘’Want inderdaad is de omvang van wat gelost of geladen moet worden beslissend voor de vraag of het voertuig ter plaatse moet zijn. Het criterium ‘’moeten’’ is m.i. onjuist. Alleen al hierom, omdat dit criterium aanleiding zal geven tot een reeks twijfelgevallen: Als ik een koffer op het station in bewaring wil geven, moet mijn taxi dan voor het station parkeren of kan ik een paar straten met die koffer in mijn hand lopen naar het station, om die koffer daar af te geven of in een box achter slot te doen? Het juiste criterium is m.i. niet of men op de plaats waar men parkeert moet zijn, maar of er een reden is waarom men juist dáár moet staan en die reden moet dan zijn dat dáár iets te laden of te lossen valt. Het criterium moet dus niet zijn de omvang van de goederen die men lost of laadt, maar dat men goederen dáár en niet ergens anders te laden of te lossen heeft. Laat men de auto staan om een wandelingetje te maken, dan is men fout. De beperking die prof. Van Veen aanvoert is m.i.