Rechtspraak Hoge Raad 1975-03-21
ECLI:NL:HR:1975:AC5560
21 maart 1975 De Hoge Raad der Nederlanden , in de zaak nr. ….. van De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Centrale Werkgevers Risicobank, gevestigd te Amsterdam, eiseres tot cassatie van de tussen partijen gewezen arresten van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 november 1971 en 20 februari 1973 (tussenarresten) en van 4 december 1973 (eindarrest), tevens incidenteel verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. L.D. Pels Rijcken, advocaat bij de Hoge Raad, t e g e n de erven en rechtverkrijgenden van wijlen [erflater] , in leven wonende te [woonplaats] en overleden op [datum] 1970, zijnde: 1. [verweerster 1] , weduwe van [erflater] voornoemd, 2. [verweerder 2] , 3. [verweerster 3] , echtgenote van [betrokkene 1] , wonende allen te [woonplaats] , verweerders, tevens incidenteel eisers tot cassatie, vertegenwoordigd door Mr. J.W. Lely, mede advocaat bij de Hoge Raad; Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal van Oosten, namens de Procureur-Generaal, concluderende tot verwerping van het incidentele cassatieberoep, vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van verweerders in de kosten, welke aan de zijde van eiseres op de voorziening zijn gevallen. Gezien de stukken; Overwegende dat uit de bestreden arresten en de stukken van het geding blijkt: dat eiseres — hierna te noemen de Bank — bij dagvaarding van 17 juni 1968 de rechtsvoorganger — hierna te noemen [erflater] — van verweerders — hierna te noemen [verweerders] — heeft gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem, daartoe o.m. stellende: dat [betrokkene 2] — hierna te noemen [betrokkene 2] —, gewoond hebbende te [woonplaats] , op 25 november 1965 te omstreeks 14 uur, terwijl hij zich per bromfiets langs de kortste weg van zijn woonhuis naar zijn werkgeefster begaf, te Krommenie op de voor het openbaar verkeer opengestelde Provincialeweg Hembrug-Limmen bij de kruising Busch is aangereden door de door [erflater] bestuurde tractor met aanhangwagen, die komende van de Busch genoemde Provincialeweg gaande in zuidelijke richting overstak; dat [betrokkene 2] ten tijde van de aanrijding, komende uit de richting Limmen met een normale snelheid, reed over het bij genoemde Provincialeweg behorende rijwielpad; dat zowel de Provincialeweg als het daarbij behorende rijwielpad zijn aangewezen als voorrangsweg en als zodanig komende van de Busch zijn aangeduid; dat [erflater] derhalve voorrang had moeten verlenen aan de voor hem van rechts komende bromfietser [betrokkene 2] ; dat [erflater] onder meer tegenover de politie heeft verklaard, dat het ongeval aan zijn schuld was te wijten; dat [betrokkene 2] ten gevolge van deze aanrijding is gevallen en als gevolg van aanrijding en/of val lichamelijk letsel heeft bekomen en kort na het ongeval aan de gevolgen van deze aanrijding is overleden; dat de werkgeefster van [betrokkene 2] , de naamloze vennootschap N.V. [A] te [vestigingsplaats] , ingevolge artikel 54 Ongevallenwet 1921 door het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank daartoe toegelaten, het risico van de wettelijke ongevallenverzekering rechtsgeldig aan de Bank die tot het dragen van dit risico is toegelaten, heeft overgedragen; dat een bedrag van ƒ 20.240,71 als gevolg van voormeld ongeval voor rekening van de Bank is gekomen; dat [erflater] , omdat het ongeval aan zijn schuld is te wijten, is gehouden tot vergoeding van de door de nagelaten betrekkingen van [betrokkene 2] geleden schade en op grond van artikel 95 Ongevallenwet aansprakelijk is jegens de Bank, te wier laste dit bedrag is gekomen; dat het door de Bank gevorderde bedrag blijft beneden het bedrag, hetwelk de nagelaten betrekkingen van [betrokkene 2] uit hoofde van dit ongeval volgens de algemene regelen van het burgerlijk recht van [erflater] als schadevergoeding kunnen vorderen; dat de Bank derhalve van [erflater] heeft te vorderen een bedrag van ƒ 20.240,71; dat [erflater] deze vordering heeft bestreden; dat de Rechtbank te Haarlem bij vonnis van 27 mei 1969 de vordering van de Bank heeft a de directe oorzaak van het overlijden van [betrokkene 2] is een hartaanval geweest welke stoelde op een bij hem, [betrokkene 2] , aanwezige hartafwijking; 2. de oorzaak van de hartaanval is gelegen in een min of meer hevige emotie waaraan [betrokkene 2] bloot stond; 3. de oorzaak van deze emotie is gelegen in de onderhavige aanrijding; 4. het intreden van de dood is het naar ervaringsregelen en redelijkerwijze te verwachten gevolg geweest van de aanrijding; ad 1: dat [erflater] niet gemotiveerd heeft weersproken dat [betrokkene 2] is overleden ten gevolge van een hartaanval op grondslag van een bij hem, [betrokkene 2] , bestaande ziekelijke hartafwijking (coronaire trombose); dat ook [betrokkene 3] tot dezelfde conclusie komt in het door hem van de lijkschouwing van [betrokkene 2] opgemaakte rapport; dat derhalve dit punt als vaststaande dient te worden aangenomen; ad 2: dat [erflater] heeft ontkend dat de dodelijke hartaanval het gevolg is geweest van een emotie waaraan [betrokkene 2] onderhevig zou zijn geweest; dat het Hof zulks echter voldoende aannemelijk acht geworden in aanmerking nemende: a. de inhoud van het rapport van [betrokkene 3] , die een emotie als mogelijke oorzaak van de hartaanval opgeeft; b. de omstandigheid dat bij het getuigenverhoor van enige andere oorzaak niets is gebleken, met name niet van de door [erflater] onderstellenderwijze vermelde oorzaken (inspanning, koude, voeding); c. het van algemene bekendheid zijnde feit, dat lijders aan coronaire trombose — waaraan [betrokkene 2] , als gezegd, lijdende was — dikwijls ten gevolge van emotionele prikkels overlijden; ad 3: dat [erflater] heeft ontkend dat een (eventuele) emotie door de aanrijding zou zijn veroorzaakt; dat het Hof zulks echter voldoende bewezen acht op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] , die verklaren dat [betrokkene 2] na de aanrijding een opgewonden indruk maakte ( [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 7] ) en trilde ( [betrokkene 6] ), terwijl deze verklaringen niet worden ontzenuwd door de verklaringen afgelegd door de andere gehoorde getuigen; ad 4: dat [erflater] eveneens heeft ontkend dat de dood het naar ervaringsregelen en redelijkerwijze te verwachten gevolg van de aanrijding is geweest; dat [erflater] in het bijzonder heeft ontkend dat redelijkerwijze was te verwachten dat [betrokkene 2] door de aanrijding — welke, naar tussen partijen vaststaat, geen noemenswaardig letsel had veroorzaakt — zodanig geemotioneerd zou geraken dat hij als gevolg daarvan zou komen te overlijden; dat het Hof alvorens te dien aanzien te beslissen deskundige voorlichting behoeft ter beantwoording van de volgende vraag: ‘’Met welke graad van waarschijnlijkheid (resp. zeer waarschijnlijk, waarschijnlijk, onwaarschijnlijk, zeer onwaarschijnlijk) is te verwachten dat een aanrijding van de aard en de ernst als de onderhavige op iemand, die lijdende is aan coronaire trombose, een zodanige emotionele uitwerking heeft dat hij enige uren later overlijdt?’’;’’; in het tussenarrest van 20 februari 1973: ‘’dat het deskundigenbericht het Hof aanleiding geeft tot het maken van de beide volgende opmerkingen: 1. de deskundigen hebben — van verschillend gevoelen zijnde — in strijd met het bepaalde in artikel 231, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van het persoonlijk gevoelen van ieder van hen doen blijken; 2. de deskundigen hebben een oordeel uitgesproken omtrent het oorzakelijk verband tussen ongeval (aanrijding) en dood, zulks ofschoon het Hof in zijn interlocutoir arrest van 30 november 1971 dit oorzakelijk verband reeds aanwezig had geacht. Het Hof heeft in voormeld arrest bedoeld aan deskundigen de vraag voor te leggen — welke vraag zij in hun rapport niet hebben beantwoord — of al dan niet was te verwachten dat een aanrijding van de aard en ernst als de onderhavige met een lijder aan coronaire trombose diens dood ten gevolge zou hebben. Of anders geformuleerd: t Bij arrest van 20 februari 1973 heeft het Hof evenwel overwogen, dat het antwoord op de in dat arrest geformuleerde vraag — namelijk of na een aanrijding als de onderhavige met een lijder aan coronaire trombose de dood altijd, meestal of zelden intreedt — bepalend is voor de aansprakelijkheid van [erflater] , omdat, indien de dood van [betrokkene 2] ondanks het feit dat hij lijdende was aan coronaire trombose uitzonderlijk, abnormaal zou zijn (in aanmerking genomen het karakter van de aanrijding), diens dood redelijkerwijze niet was te voorzien geweest en bij [erflater] schuld — voorwaarde voor diens aansprakelijkheid — zou ontbreken. Nadat de zoeven bedoelde vraag door het Hof was voorgelegd aan deskundigen en door hen met ‘’zelden’’ was beantwoord, heeft het Hof bij eindarrest van 4 december 1973 overwogen: ‘’dat het Hof zich verenigt met het door de deskundigen gegeven oordeel omtrent het in het tussenarrest van 20 februari 1973 gestelde vraagpunt en dit oordeel tot het zijne maakt; dat derhalve moet worden aangenomen, dat het overlijden van [betrokkene 2] ten gevolge van de ten processe bedoelde aanrijding een zo uitzonderlijk karakter draagt dat dit overlijden voor [erflater] niet voorzienbaar is geweest, zodat hem ter zake geen verwijt (schuld) treft en de uit dit overlijden voor de Bank voortvloeiende schade derhalve niet aan [erflater] kan worden toegerekend;’’. In deze overweging en in hetgeen reeds in 's Hofs arresten van 30 november 1971 en 20 februari 1973 was overwogen en beslist is het Hof ervan uitgegaan dat voor aansprakelijkheid van [erflater] is vereist dat hem verwijt (schuld) treft aan het overlijden van [betrokkene 2] , aan welk vereiste volgens het Hof niet zou zijn voldaan, nu dat overlijden als gevolg van de ten processe bedoelde aanrijding een zo uitzonderlijk karakter draagt dat het voor [erflater] niet voorzienbaar is geweest. Dit door het Hof gestelde vereiste voor aansprakelijkheid van [erflater] berust op een onjuiste rechtsopvatting, aangezien voor aansprakelijkheid van [erflater] voldoende is, dat tussen zijn onrechtmatige gedraging, waarvan ten processe niet is betwist dat deze aan zijn schuld was te wijten, en het overlijden van [betrokkene 2] causaal verband bestaat, zoals het Hof heeft aangenomen. 2. Gaat men uit van de opvatting, dat [erflater] slechts aansprakelijk is voor (de gevolgen) van het overlijden van [betrokkene 2] indien dit overlijden voor hem, [erflater] , als gevolg van zijn onrechtmatige wijze van rijden en de daardoor veroorzaakte aanrijding voorzienbaar was, dan heeft het Hof toch een onjuiste toepassing aan dit vereiste gegeven door te oordelen dat daaraan in het onderhavige geval niet was voldaan, omdat de emotionele uitwerking, welke de aanrijding — naar het Hof heeft aangenomen — bij [betrokkene 2] heeft teweeg gebracht, bij lijders aan de bij [betrokkene 2] geconstateerde hartkwaal slechts bij uitzondering de dood ten gevolge heeft. Zou een verkeersdeelnemer, wiens onrechtmatige wijze van rijden de dood van een andere verkeersdeelnemer heeft veroorzaakt, alleen dan voor (de gevolgen van) het overlijden van die ander aansprakelijk zijn, indien dat overlijden als gevolg van zijn wijze van rijden en de daardoor veroorzaakte aanrijding voor hem te voorzien is geweest, dan is voor zijn aansprakelijkheid toch niet vereist dat hij ook de wijze, waarop het slachtoffer van het ongeval in het bijzondere geval is overleden, heeft kunnen voorzien; voldoende is dat de dader ermede rekening heeft kunnen en/of moeten houden dat zijn onrechtmatige wijze van rijden de dood van een andere verkeersdeelnemer tot (mogelijk) gevolg kon hebben. Het Hof had derhalve, uitgaande van de in onderdeel 1 bestreden opvatting, in het onderhavige geval behoren te onderzoeken, of [erflater] , ter plaatse rijdende met de door hem bestuurde tractor, ermede rekening had kunnen en/of moeten houden dat zijn onrechtmatige wijze van rijden een aanrijding met een andere verkeersdeelnemer kon veroorzaken, waarv terwijl, indien ten slotte het Hof bedoeld mocht hebben dat het overlijden was het naar ervaringsregelen redelijkerwijs te verwachten en/of redelijkerwijs te voorzien gevolg van de aanrijding, 's Hofs oordeel is evenzeer onduidelijk en onbegrijpelijk, aangezien uit het oordeel van deskundigen niet blijkt en/of kan blijken, dat het overlijden het redelijkerwijs te verwachten en/of redelijkerwijs te voorzien gevolg van de aanrijding was, en voorts door het Hof is beslist dat het overlijden van [betrokkene 2] een zo uitzonderlijk karakter draagt dat dit overlijden niet voorzienbaar is geweest, en hieruit slechts kan volgen, dat dit overlijden niet was een (adequaat) causaal gevolg van de aanrijding resp. dat van aansprakelijkheid voor 'schrikschade' niet de rede is en/of kan zijn gezien de omstandigheden van het geval;’’; Overwegende omtrent het principale middel van cassatie: dat het Hof heeft beslist dat [betrokkene 2] is overleden ten gevolge van een hartaanval op grondslag van een bij hem bestaande ziekelijke afwijking (coronaire trombose); dat deze dodelijke hartaanval het gevolg is geweest van een emotie, waaraan [betrokkene 2] onderhevig is geweest; dat deze emotie is ontstaan door de aanrijding tussen een bromfiets bestuurd door [betrokkene 2] , en een tractor bestuurd door [erflater] ; dat op grond van een en ander oorzakelijk verband tussen de aanrijding en de dood van [betrokkene 2] bestaat; dat het Hof zich voorts heeft verenigd met het door de deskundigen gegeven oordeel dat na een aanrijding als de onderhavige ook bij een lijder aan coronaire trombose de dood zelden intreedt en het Hof op die grond heeft beslist dat het overlijden van [betrokkene 2] ten gevolge van de aanrijding een zo uitzonderlijk karakter draagt dat dit overlijden voor [erflater] niet voorzienbaar is geweest, zodat hem ter zake geen verwijt (schuld) treft en de uit dit overlijden voor de Bank voortvloeiende schade derhalve niet aan [erflater] kan worden toegerekend; dat de Hoge Raad deze beslissing aldus begrijpt, dat volgens het Hof in zover oorzakelijk verband bestaat tussen de aanrijding en het daaropvolgende overlijden van [betrokkene 2] , dat zonder die aanrijding [betrokkene 2] niet aldus overleden zou zijn, maar dat niettemin dit overlijden niet aan [erflater] , door wiens schuld de aanrijding plaatsvond, kan worden toegerekend, waar ook een lijder aan coronaire trombose, zoals het slachtoffer, slechts zelden ten gevolge van een aanrijding als de onderhavige overlijdt; dat het middel er terecht over klaagt, dat het Hof aldus een verkeerd criterium heeft gebezigd voor het voor aansprakelijkheid vereiste verband tussen een verkeersfout die een aanrijding veroorzaakt en het dodelijk gevolg van die aanrijding; dat toch, naar van algemene bekendheid is, aanrijdingen met dodelijke afloop herhaaldelijk voorkomen; dat een verkeersdeelnemer daarom rekening dient te houden met een dergelijke afloop, ook bij een aanrijding als de onderhavige ten gevolge van het niet voorrang geven door de berijder van een tractor aan de berijder van een bromfiets; dat hieruit voortvloeit dat de dader, die een dergelijke verkeersfout maakt, in beginsel aansprakelijk is voor het dodelijk gevolg, ook al valt de wijze, waarop in een bepaald geval het overlijden van het slachtoffer is ingetreden, aan te merken als zelden voorkomend, of als liggend buiten de lijn van de normale verwachtingen; dat dit — daargelaten het geval van eigen schuld van het slachtoffer — slechts anders is wanneer het overlijden is ingetreden door tussen het aanrijdingsgebeuren en het overlijden van het slachtoffer voorgevallen en buiten het slachtoffer gelegen omstandigheden van zodanige aard dat het overlijden redelijkerwijze niet meer als een gevolg van de aanrijding aan de dader kan worden toegerekend, doch van dergelijke omstandigheden in dit geval niet is gebleken; dat uit een en ander volgt dat het Hof ten onrechte de aansprakelijkheid van [erflater] voor het overlijden van [betrokkene 2] hee